Bernardus Maria Taverne

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken


Prof. mr. Bernardus Maria Taverne
Icon boy scout.svg
De Nederlandse Padvinders klein.png
De Nederlandse Padvinders
Raad der Vereeniging
Geboorteplaats
Leiden ­Zuid-Holland ­Nederland
Geboortedatum
23 oktober 1874
Overlijdensplaats
Nijmegen ­Gelderland ­Nederland
Overlijdensdatum
9 maart 1944
Bezig met het laden van de kaart...

Bernardus Maria Taverne was een Nederlandse hoogleraar en jurist en lid van de Raad der Vereeniging van De Nederlandse Padvinders.

Levensloop[bewerken]

In[1][2] Leiden doorliep hij de hogereburgerschool (HBS). Daarna deed hij examen bij de Marine voor het behalen van de rang van adspirant-administrateur en op 1 september 1882 werd hij in deze rang benoemd. Zijn benoeming tot officier van administratie der 2e klasse volgde in 1897. In 1900 legde hij het staatsexamen af en was hij vervolgens in de gelegenheid colleges te volgen aan de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden; hij promoveerde in 1903 in Leiden op stellingen. Na een jaar vertrok hij naar Nederlands-Indië waar hij voor de Marine als officier van administratie gestationeerd werd voor een periode van drie jaar. Na terugkeer in Nederland werd hij in Den Haag gestationeerd. Hij stopte bij de marine in 1909 wegens een benoeming als substituut-griffier bij de arrondissementsrechtbank in Amsterdam, om in 1911 als rechter aangesteld te worden bij de arrondissementsrechtbank in Rotterdam en vanaf 1913 in Amsterdam.

In 1917 werd hij benoemd tot hoogleraar strafrecht en strafvordering aan de Universiteit van Amsterdam. Het jaar erop aanvaardde hij het ambt met de rede De taak van den strafrechter. Hij trouwde met Marie Françoise Josephine van Riemsdijk op 22 januari 1920 en uit dit huwelijk werden twee dochters geboren. Hij kreeg in 1921 eervol ontslag wegens een benoeming tot raadsheer bij de Hogere Raad der Nederlanden waar hij deel uitmaakte van de strafkamer. Wel bleef hij nog tot de zomer van 1922 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde hij met Augusta Eliza Joanna Maria Hofman op 26 december 1927. Uit dit huwelijk werden twee dochters en een zoon geboren.

Hij was als raadsheer betrokken bij de totstandkoming van het veelbesproken de auditu-arrest. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat getuigenverklaringen die buiten de terechtzitting om zijn gedaan ook als wettig bewijsmiddel kunnen gelden. In 1939 werd hij benoemd tot vicepresident van de strafkamer van de Hoge Raad. Hij stond bekend als een rechtlijnig opererende rechter en raadsheer, die pro-Duitse sympathieën had; hij verfoeide echter het onrecht en de wantoestanden tijdens de bezetting van Nederland. Tijdens de bezetting van Nederland door Nazi-Duitsland maakte hij ook onderdeel uit van de speciale economische kamer. In 1941 werd de pensioenleeftijd van rechters verlaagd van 70 naar 65 jaar, maar Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart maakte voor hem een uitzondering, zodat hij tot zijn dood aan kon blijven.

Naast zijn werk bekleedde hij vele nevenfuncties in het maatschappelijke leven en schreef hij vele artikelen over juridische onderwerpen[3].

Scouting[bewerken]

Hij was vanaf 1928 lid van de Raad der Vereeniging van De Nederlandse Padvinders.

Onderscheidingen en eretitels[bewerken]

  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (Koninkrijk der Nederlanden)
  • Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (Koninkrijk der Nederlanden)


Category stub nl.svg Dit artikel is een beginnetje. U wordt uitgenodigd op Bewerk te klikken om uw kennis aan dit artikel toe te voegen.
Cookies helpen ons onze services aan te bieden. Door onze services te gebruiken stemt u in met het gebruik van onze cookies.