De Joodse Padvinders in Nederland

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken
De Joodse Padvinders in Nederland
Afkorting
 JPN 
Alle geslachten
Opgericht
1 mei 1948
Opgeheven
1 december 1955

De Joodse Padvinders in Nederland (JPN) was een Joodse scoutingorganisatie in Nederland, die vlak na de oorlog bestond.

Geschiedenis[bewerken]

Voor de oorlog bestonden er in Nederland verschillende Joodse gesloten groepen. Met de oorlog verdwenen deze groepen en een doorstart na de oorlog, was ondenkbaar. Veel leden en leiders waren gedeporteerd en vermoord. De enige groep die direct na de oorlog weer startte, was de Haagse T.O.P. groep.

Onder Joodse jeugdleiders bleef de belangstelling voor Scouting bestaan. De na de oorlog gevormde Joodse Jeugd Commissie in Amsterdam stond voor de gigantische taak om het overschot aan joodse kinderen weer samen te brengen in jeugdverenigingen. Hier konden de kinderen leren dat joods-zijn niet alleen betekent: bloot staan aan verschrikkelijke vervolgingen. In de zomer van 1946 vroeg de Jeugdcentrale aan de Verenigng De Nederlandse Padvinders (NPV) of ze een gesloten groep mochten oprichten. De organisatie was, net als elke joodse organisatie, Zionistisch ingesteld. Ze richtte haar leden op wat toen nog Palestina heette en wilden hun belofte bij de installatie ook op die manier inrichten. Dit bleek in verband met de spelregels van de NPV niet mogelijk. De Joodse Jeugdcommissie koos er daarna voor om een padvinders-afdeling op te richten .

Het installatieteken werd een Dagen. Er werden geen insignes van de NPV overgenomen en in plaats van een hoed werd een baret gedragen. De organisatie werd Tsofioeth (Hebreeuws voor padvinderij) genoemd. De verkenners kregen de Hebreeuwse naam Tsofim en padvinders Tsofoth. Er werd eind 1947 gestart met een verkennersgroep Misjmar Tikwatenoe onder leiding van Edzard Izaks, een gediplomeerd verkennersleider. In januari 1948 werd hij formeel geïnstalleerd . Op 20 juni 1948 werd een meisjesvendel erkend met de naam Deworah . Een jaar later, in november 1948, werd een tweede verkennersgroep opgericht, Betsalel, waar Jaap Cohen Mafakeed (hopman) werd. En in februari 1949 begon bij Misjmar Tikwatenoe een welpenhorde, Oforim in het Hebreeuws.

Het leek er eind 1948 op dat de Haagse TOP groep ook in Amsterdam een afdeling op wilde richtten. Het Tsofioeth liet weten dat ze hier geen relatie mee hadden en willen hebben, omdat ze om nationaal/principiële redenen niet aan wilden sluiten bij de NPV .

Na de erkenning van de staat Israël door Nederland in 1949, besloot ook de Haagse TOP groep zich exclusief te gaan richten op Israël en moest daarom afscheid nemen van de NPV. De Haagse en Amsterdamse Joodse Scoutinggroepen verenigden zich in de Vereniging ‘De Joodse Padvinders in Nederland’ (JPN), een sub organisatie van de Joodse Jeugdcommissie . Er waren op dat moment drie groepen (Misjmar Tikwatenoe, Betsalel en T.O.P Groep) en twee vendels (Koningin Esthervendel en Deworah vendel) aangesloten. Ed Izaaks werd commissaris van de JPN en samen met Akela Kroon waren ze vertegenwoordigd in de Joodse Jeugdcommissie. Op 7 mei 1949 besloot het bestuur van de NPV de organisatie ‘te beschouwen als een bona fide, niet erkende organisatie, waaraan zij medewerking wil verlenen’. Ze mochten in de ScoutShop goederen betrekken, waaronder insignes, met uitzondering van installatie-, burger- en hoed-insignes. De organisatie koos voor het Israëlische padvindersinsigne, een Davidster met de Scoutinglelie .

Tijdens het zomerkamp van 1949 in Otterlo werd Kitty Deen uit Enschede geïnstalleerd als lone scout . Dit waren joodse padvinders en padvindsters in plaatsen waar geen joodse Scoutinggroep aanwezig was. Kitty Deen nam in het najaar het initiatief om in Enschede een meisjesvendel voor padvindsters op te richten en in december 1949 werd officieel gestart. Zij werd Mefakedeth (Guido). De groep kreeg de naam Weizmann vendel, vernoemd naar Chaim Weizmann, een vooraanstaand zionist en de eerste president van Israël. In november 1950 werd de jongste groep gesplitst in een welpenhorde en kabouterkring. Leiding waren toen Akela S van Essen, Oehoe Jenny Pommeranz en Guido Milie Stofkooper.

Ook in andere plaatsen in Nederland begonnen joodse scouts zich te verenigen in groepen, die zich aansloten bij de JPN. In 1948 startte Leo Vis met een initiatief in Bussum, maar het lijkt erop dat dit bleef bij een oproep . In Haarlem begon in november 1949 de Joodse groep Dov Gruner, waar E. Kan Sjaliesj (vaandrig) was . Op 12 maart 1950 werd in Hilversum in de Rudelheimstichting groep 8 Chaim Nachman Bialik van de JPN officieel erkend. Ze begon in eerste instantie met welpen en in februari 1951 volgden de kabouters. Later kwamen er ook padvindsters en verkenners bij. De groep heeft waarschijnlijk tot 1951 bestaan, want op dat moment fuseerde de stichting met andere jeugdinstellingen en werd het gebouw afgestoten.

De Rudelsheimstichting was in 1919 opgericht met als doel verstandelijk gehandicapte Joodse kinderen vaardigheden te leren waarmee zij een min of meer zelfstandig bestaan zouden kunnen leiden. In de bosrijke omgeving van Hilversum werd een statig pand, ‘Beth Azarja’ genoemd, met omliggende gronden aangekocht. Tijdens de oorlog werd het terrein door de Wehrmacht geconfisqueerd en werd een hoofdkwartier van de Wehrmacht gevestigd. Op 16 april 1942 kwamen er zestien verhuiswagens naar de Verdilaan om de kinderen en inventaris over te brengen. De kinderen werden in “De Monnikenberg” op de Heideparkweg 51 (nu Soestdijkerstraatweg 151) in Hilversum ondergebracht, tot 7 april 1943. Toen werden de kinderen weggevoerd naar doorgangskamp Westerbork en daarna naar vernietigingskamp Sobibor, waar ze werden vermoord; de meesten op 16 april 1943. Na de oorlog richtte de Rudelsheimstichting zich op joodse kinderen die uit concentratiekampen terugkwamen. Een deel van het complex, dat niet door bommen was verwoest, vormde het onderkomen van deze kinderen. In 1951 stootte de stichting het gebouw af: er kwamen namelijk geen nieuwe kinderen bij. De Rudelsheimstichting ging op in een fusie met andere instelling van joods kinderwerk.

In februari 1950 waren er 8 groepen.

Plaats Groepsnummer Groepsnaam speltakken
Amsterdam 1 Bamitspah welpen, verkenners, voortrekkers 1951-1955
Amsterdam 2 Deworah vendel kabouters, padvindsters 1948-1955
Amsterdam 3 Misjmar Tikwatenoe welpen, verkenners 1948-1951
Haarlem 4 Dov Gruner
Den Haag 5 TOP-groep verkenners
Den Haag 6 Esthervendel padvindsters
Den Haag 7 Weizmannvendel kabouters, padvindsters
Den Haag 8 Chaim Nachman Bialikgroep welpen, kabouters, verkenners, padvindsters

In januari 1950 werd besloten om de Amsterdamse groepen te reorganiseren als gevolg van een leiderstekort. De verkenners van groep 1 Misjmar Tikwatenoe en 3 Betsalel gingen voorlopig samen onder de naam Bamitspah met H. Lootsteen als Hopman. Vanaf 1951 wordt in het Nieuw Israelietisch weekblad alleen nog maar over de horde en troep Bamitspah geschreven, naast het vendel Deworah en later de Teixeira de Mattos stam.

Ook in Apeldoorn startte een groep. Naast 'moederinrichting' het Apeldoornsche Bosch lag in Apeldoorn het kindertehuis Paedagogium Achisomog voor 'diepgestoorde kinderen'. In de nacht van 21 -22 januari 1943 werden alle 1250 bewoners van het Apeldoornse Bosch en van het paedagogium, patiënten en verplegend personeel, door de Duitsers op transport naar Auschwitz gesteld. Daar zijn ze allemaal direct na aankomst gedood. Op 8 april 1946 kon het Paedagogium Achisomog heropend worden en de eerste jaren na de oorlog werden met name Joodse pleegkinderen opgenomen, van wie de ouders waren vermoord. Het aantal pupillen breidde zich uit tot 100 in 1960 . In oktober 1951 werd met een joodse groep gestart in Paedagogium Achisomog in Apeldoorn, met steun van de NPV. Ze kreeg de naam Kaléb. Op 30 maart 1952 werd de welpenhorde onder leiding van Akela A.M. van Walen, personeelslid van de inrichting. formeel geïnstalleerd. Het was de vierde welpenhorde binnen de JPN, na Amsterdam, Enschede en Hilversum. In het voorjaar van 1952 werd met een verkennersgroep gestart en deze werd, samen met een kabouterkring, op 15 februari 1953 geïnstalleerd in aanwezigheid van scouts van de andere joodse groepen . In september 1953 werd met een meisjesvendel gestart .

Wegens enorme belangstelling besloot de Amsterdamse groep in juni 1951 om te starten met een voortrekkersstam. Opgave kon gedaan worden bij vaandrig Joop van Praag . Op 5 juli 1953 werd deze voortrekkersstam (Tsofiem Kashieshiem) geïnstalleerd, met de naam Groepsleider Hopman Teixeira de Mattos stam. Ze werd vernoemd naar Fred Teixeira de Mattos, hopman van de Joodse Derech Erets-groep . Naftalie Kan werd oubaas van de stam en Joop werd later kleinbaas.

In 1953 werd ook een eigen blad uitgegeven, Hatsofee, waarvan de redactie gevestigd was in Amsterdam . In september werden naast het adres van het hoofdkwartier in Den Haag, nog maar contactpersonen van twee districten genoemd, Akela J.B. Koekoek van district Amsterdam en Akela A.M. van Walen van district Apeldoorn. Mogelijk dat op dat moment de groepen in Enschede en Hilversum opgeheven waren.

Door gebrek aan goed getrainde leiders en voldoende middelen werd in 1955 besloten om de werkzaamheden van het Tsofioeth met ingang van 1 december 1955 te beëindigen. Na acht jaar kwam een einde aan deze Joodse jeugdvereniging. De leden worden zoveel mogelijk opgenomen in andere Joodse verenigingen en er kan een aanvraag gedaan worden om overgeschreven te worden naar de NPV .

In 1956 wordt in het Nieuw Israelietisch weekblad geschreven over een nieuwe Joodse padvindersgroep in Amsterdam, de Chaim Weizmanngroep . De welpen en verkenners gaan in zomer 1956 naar Warnsborn en kunnen zich opgeven bij het secretariaat de Joodse Padvinders Nederland . De leiding is in handen van Hathi Krant, vaandrig Cohen en vaandrig Kater. Na 1956 wordt er niet meer over de groep geschreven.


Speltakken[bewerken]

De organisatie heeft de volgende speltakken:

  • Welpen (Oforim)
  • Kabouters (Oforoth)
  • Verkenners (Tsofim)
  • Padvinders (Tsofoth)
  • Voortrekkers (Tsofiem Kashieshiem)


Activiteiten[bewerken]

De joodse groepen gingen ieder jaar gezamenlijk op zomerkamp. In de eerste jaren met alle speltakken samen en later per leeftijdsgroep. De kampen vonden plaats in Otterlo (1949) , Borculo (1950) , Groet (NH) en Voorthuizen (1951) en Renkum, Nunspeet en Putten (1952) . In 1953 gingen joodse scouts uit zes verschillende plaatsen op kamp naar landgoed Warnsborn bij Arnhem . Een jaar later keerden de scouts hier terug, onder leiding van Akela Hirschfeld, jongbaas van Praag en hopman van der Reis de echte kampsfeer kunnen proeven . Joop van Praag ging maakte in 1951 en 1954 tijdens het kamp foto´s.

De groepen hadden regelmatig onderling bezoeken, vierden de Joodse feestdagen en waren aanwezig bij formele bijeenkomsten. In het Nieuw Israelietisch weekblad wordt geschreven over installaties van leiding en jeugdleden, en van afscheid, bv omdat leiders naar Israël vertrekken.


Bronnen en referenties

Cookies helpen ons onze services aan te bieden. Door onze services te gebruiken stemt u in met het gebruik van onze cookies.