De Jutters (Den Helder)

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken
De Jutters
Neckie rood-grijs.png
nr.
1  
Lampe a huile.jpg Openbaar
Den Helder ­Noord-Holland ­Nederland
Icon girl guide.svgIcon boy scout.svg Meisjes en jongens
Opgericht
7 februari 1911
Oprichter(s)
C.J.M. Collette  
Opgegaan in
Bezig met het laden van de kaart...
52° 56' 49.63" N, 4° 45' 30.20" E
52.947119, 4.75839

RD:112 733-551 303
31U 618145m E 5867835m N

De Jutters (Den Helder) was een scoutinggroep in Den Helder.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

1911 - 1921[bewerken | brontekst bewerken]

De afdeling "Helder" werd opgericht in 1911 als één van de eerste afdelingen van de Nederlandse Padvindersorganisatie. Volgens overlevering nam nog voor de oprichting een marineofficier, luitenant M. Heijbroek, op verzoek van enkele jongens de leiding van twaalf van hen op zich. De troep breidde zich uit en Den Helder kon in februari 1911 zo'n 240 padvinders aanmelden.

De animo onder de jongeren is in Den Helder zo groot, zodat het bestuur zich moest beperken tot de jongens van 14 jaar en ouder. De eerste aspirant-padvinders werden tijdens Pinksteren, op zondag 4 juni 1911, door de heer C.J.M. Collette geïnstalleerd in aanwezigheid van algemeen secretaris, de heer Metelerkamp uit Amsterdam. De plaatselijke ambachtsschool zorgde voor de stokken en de heer Nypels droeg zorg dat de kleding op de beste en goedkoopste wijze kon worden aangeschaft. Hulde ging uit naar Dr. Lingbeek en de heer De Voogt, die de padvindersbeweging in Nederland op touw hebben gezet en naar de heer Carpentier die in Den Helder als eerste de aandacht op de beweging vestigde. De heer Heijbroek werd de eerste hoofdleider van de troep.

Op de avond van de installatie konden de padvinders direct aan de slag. Zij hielpen een grote boerderijbrand blussen die ontstaan was door hevig onweer. Deze hulp kreeg tegenwerking van de omwonende boeren, die het bluswerk voor geld deden en van vrijwillige hulpverlening niets wilden weten. De padvinders zetten echter door en mochten hun hulp beloond zien met een volledige blussing.

1912

In augustus werd het eerste zomerkamp met ongeveer 40 padvinders op Texel gehouden. De heer Collette heeft via de heer Metelerkamp groene vlaggen met een gele lelie uit Amsterdam geregeld.

Op zondag 29 september 1912 wordt de eerste houten clubgebouw aan de Fortweg bij fort Erfprins geopend door de heer C.J.M. Collette. Het werd vrijwel geheel door de padvinders zelf gebouwd, onder leiding van de heer C.J. Hoek, bouwkundige in Den Helder. Helaas werd het gebouw een aantal dagen na de opening op schandelijke wijze toegetakeld. Ruiten waren vernield, sloten en gaaswerk waren beschadigd. Na twee jaar wordt op 28 december 1914 het gebouw door storm vernield en ging een groot deel van de inventaris verloren.

1913

Om het gebouw aan de Fortweg in stand te houden, werd op 16 januari 1913 in Casino een padvindersuitvoering gegeven. Een padvindersorkest bestaande uit piano, viool en mandoline, bracht "Boys be prepared" van Paul A. Rubbens ten gehore en voor het toneelstuk was art.5 van de padvinderswet als uitgangspunt genomen; "Een padvinder is altijd beleefd en ridderlijk". De avond werd ook gebruikt voor installaties van padvinders en uitreiken van vakinsignes. Door voorzitter Collette werden twee leden tot 1e klaspadvinder gepromoveerd en hij vertelde dat het animo voor het behalen van vakinsignes groot is. De insignes smid, wielrijder, bespieder, loodgieter, technicus, wegwijzer en pionier werden uitgereikt. Onder de genodigden bevond zich de voorzitter van de senaat van het Korps Adelborsten en hij schonk een krans voor het clubhuis. De heer Collette bedankte het korps voor alle medewerking die ze hadden verleend. De troep kreeg voor hun kampen tenten en keukengereedschappen te leen. In 1913 was al sprake van padvindsters, want er werd namelijk een ernstige waarschuwing gegeven aan padvinders en padvindsters om niet te gaan pootje baden, want dat zou ongezond zijn.

In 1913 dienden zich twee leiders bij de troep aan, die uitgroeiden tot flinke bekendheid in de Nederlandse padvinderij: de heren Alexander Slingervoet Ramondt en Joop Ranneft. De heer Slingervoet Ramondt genoot faam door zijn fotografie. Hij had een eigen rubriek Rondom de Roode Lamp in het blad De Padvinder en was als scheikundige de bedenker van de kampvuurfoto. De techniek werd als volgt beschreven: "Hoewel het stikdonker was, is dat toch best gegaan en wel op de volgende listige manier. Nadat door bekwame hand eenige .... (volgen zeer geleerde chemische benamingen) gemengd waren, werd een emmer met een waschblik erin tot kampvuur gepromoveerd. In het waschblik werd een heuveltje van ’t net vervaardigde bliksempoeder gelegd met daaraan een lont, in den vorm van een reepje in salpeterzuur gedrenkt. Een oogenblik nadat de camera ingesteld en de sluiter geopend en de lont aangestoken was, volgde een weeke doffe plof, en een "kampvuurtje" was alweer klaar."

1915

In februari 1915 kreeg de troep de beschikking over een vrijstaand stenen huisje met diverse gemakken om als troephuis te gebruiken voor de duur van de mobilisatie. Er werd een watertroep opgericht, die de beschikking kreeg over een kotterjacht van 12 meter, die de naam "Collette" kreeg. Daarmee werden vele avonturen beleefd. De heer Ranneft werd troepleider en op 11 december werd de troep onderdeel van De Nederlandse Padvinders.

1916

Het eerste lustrum werd gevierd, maar er moest helaas afscheid genomen worden van troepleider Ranneft, die daarbij uit handen van patrouilleleider J. Metzelaar een geschenk van de troep aangeboden kreeg. De opvolger van de heer Ranneft is de adelborst de heer Kuijper. De nog jonge heer Metzelaar zou uitgroeien tot de meest bekende persoon van de Jutters en was zelfs op zeer hoge leeftijd nog aanwezig op het 70-jarig bestaan van de groep in 1981. Op 24 april kreeg de afdeling Helder van de NPV in De Bilt de afdelingsvlag uitgereikt door prins Hendrik. Er waren daarbij meer dan 25 afdelingen met ongeveer 1200 padvinders aanwezig.

1917

Door gebrek aan vrijwilligers voor de leiding werd een oproep gedaan en de nadruk werd gelegd op het opvoedkundig karakter van de padvinderij, maar dan zonder het strenge masker van de schoolmeester. Het moesten personen zijn die liefde voor de natuur kunnen opwekken, die onderlinge verdraagzaamheid kunnen bevorderen, die bedrijvigheid en handigheid kunnen aanmoedigen, dat alles door zich met toewijding te kunnen verplaatsen in de sfeer van gevoelen en denken van een jongen. Voor een bestuursfunctie werden vooral vrijwilligers uit de onderwijzerswereld gevraagd.

Ook had de vereniging gebrek aan geld en er werd besloten om op 10 en 11 april een tentoonstelling te houden om donaties te ontvangen. De tentoonstelling werd gehouden in de grote zaal van Tivoli en werd geopend met een toespraak van de waarnemend voorzitter, de heer Jos. M.C. Haak. De organisatie van de tentoonstelling was bijna geheel het werk van de ijverige leider hopman Slingervoet Ramondt en de heer Haak bracht hem daarvoor hulde. De padvinders verkochten hun zelf gemaakte artikelen en er werden bonnetjes verkocht voor koppen thee en gebakjes. De avond werd opgeluisterd door Volkszang onder begeleiding van de heer Branda. Voor de jongeren was er een grabbelbak en elektrisch visvermaak. Het was een geslaagde avond met veel animo. De voorzitter, de heer kolonel T. Dell, die binnenkort de vereniging ging verlaten, had als zo danig bedankt. Een jaar na zijn vertrek richtte de heer Dell een afdeling in Zwolle op.

Een maand later hield de troep patrouillewedstrijden en de patrouille Tijgers werd vaandelpatrouille, maar ze hadden een zeer kleine voorsprong op de patrouille Zeemeeuwen. Op Texel werd Sint Jorisdag gevierd en door de hele troep werd opnieuw de belofte afgelegd en vakinsignes werden uitgedeeld. De hopman Slingervoet Ramondt en vaandrig Metzelaar namen de troep mee op zomerkamp naar 't Gooi. De tenten werden weer van de Marine geleend, want die waren veel groter dan de tenten van de troep. Met een transportschip van de Marine voeren ze via het Noord-Hollands Kanaal gratis mee naar Amsterdam en na 13 uur was er geen tijd meer om verder te gaan. De troep overnachtte in Amsterdam en de volgende ochtend namen ze de tram naar Oud-Naarden. Het was erg slecht weer met veel regen en pas na de vierde dag brak de zon door. De troep deed sluipoefeningen en wandel- en fietstochten. Een reuzenkampvuur werd ontstoken en ze voerden indianendansen uit. Na onderzoek door bos en veld ontdekten ze de tenten van broederpadvinders uit Utrecht en maakten kennis met hen. Vanwege het mooie weer op de laatste dag verkondigde de hopman volgens wiskundige berekeningen dat het vertrek nog één dag uitgesteld kon worden en dat werd ontvangen met een luid hoera, lang zal hij leven.

1918

Er was ook armoede in Den Helder en de troep deed een inzameling om Sinterklaasinkopen te doen en de arme kinderen een bezoek te brengen. De hopman had aan de voorzitter van de Armenraad verschillende adressen gevraagd. Vaandrig Metzelaar schreef hierover: "En op Sint Nicolaasavond was het een aardig en flink gezicht een viertal padvinders met de Hopman op marsch te zien gaan, bepakt en bezakt met boeken en speelgoed. En als je dan in zo’n donkeren steeg en poort binnen gaat en je komt dan in een armoedig kamertje met het waschgoed daar te drogen hangt aan den zolder en je ziet dan de kinderen in een bedstéé liggen en een paar op den grond. Jongens dat is dan zoo armoedig, maar als je dan gaat uitpakken en uitdelen. Jongens ik wou dan dat jelui dat had gezien, die blijde gezichten van de kinderen en van de ouderen en aan bedanken kwam geen einde maar dan waren we al weder verdwenen om verder te gaan, tot dat de zakken en knapzakken leeg waren. Dat was niet alleen een aardig Sint Nicolaasfeest voor de kinderen maar ook voor de Padvinders. Ze hadden dan ook weer een goede daad gedaan en konden hun knoop met een gerust geweten uit den das halen."

De heer Westerveld had het voorzitterschap overgenomen van de heer Haak. Twee tenten werden aangeschaft en een volgend troepenlokaal werd betrokken in de Oostslootstraat. Er werd een luisterstation voor draadloze telegrafie ingericht voor hen die geïnteresseerd waren in elektriciteit. Het kotterjacht Collette werd een te duur paardje op stal voor de vereniging en werd verkocht. Een nieuwe roeiboot werd aangeschaft om gelegenheid te geven tot het beoefenen van de roeisport en was voor het grootste deel verkregen uit bijdragen van het Hoofdbestuur. De roeiboot werd eind maart gedoopt met de naam Sint Joris. De bemanning was een complete patrouille en stond onder leiding van een roeischout. Na een kort toespraakje van de directeur van het Rijkswerf, de heer Westerveld, werd de boot te water gelaten en de heer Boon, leerling van de Zeevaartschool, nam plaats aan het roer.

1919

Op 11 april werd in het militair tehuis in de Spoorstraat afscheid genomen van hopman en secretaris-penningmeester Slingervoet Ramondt, die de gemeente ging verlaten. Er waren bloemen, er was licht en gezelligheid, er waren sigaren, koekjes en bruidssuikers. Behalve patrouilleleiders waren verschillende bestuursleden en hopmans opvolger, officier van administratie Lawerman, aanwezig. Toen hopman Slingervoet Ramondt als het olijke spotduiveltje om de hoek kwam kijken, zei hij: "Wel, wel wat een drukte! Wat hebben jelui je uitgesloofd, jongens! Let eens op hoe fijn ik je te pakken neem." Toen kwam de grote verrassing, want voormalig voorzitter Haak vertelde dat de hopman helemaal niet gaat vertrekken, maar blijft en hoopt dat hij nog lang leider mag blijven van de Helderse padvinderij. De heer Slingervoet Ramondt wist zelf ook niet tot voor zeer kort dat de omstandigheden voor zijn vertrek waren veranderd. De avond werd toen maar gebruikt om de hopman te huldigen voor alles wat hij al voor de troep had gedaan en er werd benadrukt dat hij het hart en ziel van de troep is. Toen overhandigde vaandrig Metzelaar een prachtig gekalligrafeerde lijst van de padvindende jongens aan de niet vertrekkende hopman. De heer Slingervoet Ramondt bleef uiteindelijk tot oktober 1940 in Den Helder en vertrok toen naar Amsterdam.

Op 22 oktober geeft de troep zijn 100ste editie uit van het pittige blaadje "Berichten". De redactie bestaande uit hopman Slingervoet Ramondt, vaandrig Metzelaar en Dol worden van harte geluk gewenst door de redactie van het blad De Padvinder. De redactie schrijft: "De Helderse berichten zijn steeds vol goede humor en padvindersgeest en weerspiegelen immer het wakkere pogen der Heldersche padvinders om onze lelievlag daar aan het uiterste hoekje van ons land vrolijk wapperende te houden".

1920

De afdeling had het moeilijk, financieel gezien, want bijvoorbeeld een subsidieaanvraag bij de gemeente werd afgewezen. Er was ook geen geld om de 16 manstenten, die versleten waren, te repareren en het wilde niet lukken toestemming te krijgen om gebruik te kunnen maken van het zwembassin op de werf. In theater Tivoli werd op 6 en 7 april een benefiettentoonstelling gehouden, waaraan verbonden een fancy fair en een verloting. Om twee uur werd de tentoonstelling geopend door de waarnemend voorzitter, de heer Haak. De burgemeester, ere-voorzitter van de afdeling en de heren De Groot van Embden en Mr. Fens, voorzitter en secretaris van het Hoofdbestuur, waren aanwezig. Dank ging uit naar de firma Klik voor een zending thee ten behoeve van de theetent, Amesfoort voor de zaalversiering en naar de directie van Tivoli. De voorzitter, de heer Wijt, is wegens ziekte verhinderd, maar had telegrafisch verzocht om de lang voorbereidde tentoonstelling door te laten gaan. De afdeling had als reactie een telegram van sympathie gestuurd en hem beterschap gewenst.

Na de opening hield hopman Slingervoet Ramondt een rede over het doel en werking van de vereniging. Op de tentoonstelling was een inzending aanwezig van het Centraal Magazijn, die een overzicht gaf van hetgeen voor een padvindersuitrusting nodig is. In de zaal was een door de jongens zelf vervaardigde draadloze installatie opgesteld. Twee indiaanse opperhoofden waren aanwezig en zaten voor hun wigwam. Voor de Oostenrijkse padvinders was in de zaal een bus opgehangen en de afdeling hoopte daarmee in staat te zijn enige te laten overkomen. Pogingen om een paar blinde padvinders aanwezig te krijgen mislukte. Tijdens de avond werd met officiële opnamen van de vereniging een padvindersfilm vertoond en er waren onder andere taferelen van het kampleven en beelden aan boord van het klipperjacht De Lichtstraal te zien, het vlaggenschip van de Amsterdamse zeeverkennersgroep "De Batavieren".

De afdeling had de beschikking over de onderverdieping van de Handelsdagschool aan de Dijkstraat, waar ruimte was voor cursussen en patrouillevergaderingen. Op St. Jorisdag werd de jaarlijkse tocht gemaakt naar Texel en aan de internationale jamboree in Londen namen drie padvinders van de afdeling Helder deel, terwijl hopman Slingervoet Ramondt mee was als leider van ongeveer 50 deelnemers uit Noord-Holland. Het jaarlijkse troepkamp werd van 11 tot 21 augustus in Wolfheze gehouden onder hopman Koning van Arnhem, redacteur van de rubriek "Bos en Hei". Een nieuwe afdeling De Vereeniging der Meisjesgezellen werd opgericht. Helaas kwam de ijverige voorzitter, de heer Wijt, rond november te overlijden en de waarnemend voorzitter, de heer Haak, stapte uit het bestuur.

1921

De afdeling Helder van de Nederlandse Padvinders bestaat 10 jaar en dat werd feestelijk gevierd in de grote zaal van Casino. Het padvindersorkest was aanwezig en de heer Th. F. van Mierlo hield een feestrede. De heer Wolmers had veel succes met zijn demonstratie Zweedse gymnastiek en ook de komische scene Het lid der Apenpatrouille en de scene uit oorlogstijd De Spion kregen veel applaus. De nieuwe afdeling van de meisjespadvinders maakte flinke indruk en mevrouw Metzelaar-Denker Huneman bedankte namens de ouders de aanwezige burgemeester, de heer Houwing. Een vliegmachine uit de Kooi was 's middags opgestegen met een flink aantal strooibiljetten, waarmee een deel van de gemeente overstrooid werd. Bij mevrouw Redeke-Hoek konden nieuwe padvindsters zich voor de meisjes afdeling inschrijven. De heer Franssen was voorzitter van de afdeling.

Met 22 jongens en twee "vaans" en de "hop" werd tien dagen fijn gekampeerd in de bossen. De hopman gaf rondom het grote kampvuur een fuifje ter gelegenheid van zijn verjaardag. Over de vele avonturen werden nog vele avonden in het troephuis of bij de hopman of vaandrigs thuis besproken: Wodans eiken, nachtwacht, egels waar je op lag te slapen, emmer melk verloren dus geen pudding toe, tocht naar Kleef, fietstochten in de omtrek, dineren bij een Arnhemse padvinder aan huis, padvinders van andere plaatsen gesproken, enz. In juni vertrok 1e vaandrig Dekker naar Hamburg. Hopman Slingervoet Ramondt, ook voorzitter van de Algemene Leidersraad, bezocht het evenement op Eerde waar een woodcraftconferentie werd gehouden en daar ontmoette hij de spreker John Hargrave (White-Fox) en hopman P. ten Kate, leider van het kamp.

Door tussenkomst van ex-minister van Marine en hoofdverkenner de heer Rambonnet verkreeg de troep toestemming om gebruik te maken van het marinezwembad op de werf. De heer van Mierlo die al vanaf de oprichting verbonden aan de afdeling was en steeds grote belangstelling in de vereniging getoond had, trad af als bestuurslid. Er begon een wachtlijst te komen omdat de hopman de troep niet boven de 40 jongens wenste uit te breiden en voor een tweede troep waren nog te weinig aanmeldingen, ook was er niet genoeg beschikbare ruimte en de financiële middelen ontbraken. De afdeling zou graag een welpenhorde oprichten voor jongens van 8 tot 12 jaar en deze zou eventueel door een vrouw kunnen worden geleid, omdat het hier jonge kinderen betreft. Met de roeiboot St. Joris werd flink geoefend, ook werden onder leiding van vaandrig Mos door een aantal meisjesgezellen roeilessen genomen. Op 10 juli hield de afdeling De Vereeniging der Meisjesgezellen haar eerste installaties.

1922 - 1931[bewerken | brontekst bewerken]

1922

Van de zwemgelegenheid in het marinezwembad op de werf werd zeer ruim gebruik gemaakt en in het najaar werd een zwemwedstrijd gehouden. De roeiboot St. Joris moest door het verdwijnen van de Atjeh worden verplaatst. In de duinen werd in alle seizoenen gekampeerd en het jaarlijkse troepkamp werd op 9 tot 19 augustus gehouden in Loenen. Pogingen werden nog gedaan om te komen tot zingen in een koor, terwijl het padvindersorkestje "De Trillende Snaar" geregeld oefende en zich bij enige liefdadigheidsgelegenheden liet horen. Op 11 januari en 28 maart werden ouderavonden gehouden, waarbij genoeglijk en vertrouwelijk over de opvoedkundige zijde van de padvinderij van gedachten werd gewisseld. Er was een begin gemaakt met de oprichting van een voortrekkerspatrouille voor jongelieden van boven de 17 jaar die het padvindersidee in hun leven in alle opzichten praktisch willen toepassen. De hopman woonde in mei een leidersoefenkamp in Ermelo bij, was één van de vier Nederlandse gedelegeerden op het internationaal padvinderscongres in Parijs in augustus en woonde ook het nationale voortrekkerskamp in Eerde in augustus bij. Er is nog steeds gebrek aan geld en aan een flink, ruim en praktisch troephuis. In plaats van bestuurslid mevrouw Van der Hulst-Heeroma, die bedankte, werd de heer dr. H.F. Minkema gekozen, terwijl de aftredende heren W.B. Onnekes en J.J. van Trotsenburg werden herkozen. Vaandrig Jacob Metzelaar verloofde zich met mejuffrouw Annie Dijkshoorn.

1923

Na lange besprekingen en een algemene ledenvergadering werd een nieuw troephuis betrokken aan de Dijkstraat 87, waarin voorheen het dansinstituut van de gebroeders Polak gevestigd was en door de secretaris de heer Slingervoet Ramondt voor zijn persoonlijke rekening was aangekocht. Eind juli werd het nieuwe troephuis geopend en door de padvinders ingericht met hulp van enige ouders. Het jaarlijkse troepkamp, van 13 t/m 24 augustus werd gehouden op het officiële NPV-kampcentrum Ada's Hoeve, waar de hopman met 12 jongens een genoeglijke, leerzame en opwekkende tijd doorbracht. De verbandlessen van de ziekenverpleger de heer Vonk zijn stopgezet en er was aan de heer Minkema gevraagd of hij een opvolger kan regelen. De gymnastieklessen zouden door de heer Stam gegeven kunnen worden, maar voorzitter de heer Franssen had bezwaar gemaakt vanwege de hoge financiële kosten. Op 31 september werd een patrouillewedstrijd gehouden, die bestond uit tijdafstand, getal en gewichtsschatten, geblinddoekt schrijven en knopen leggen. Deze wedstrijd was de laatste van een groep wedstrijden en werd gewonnen door de patrouille Zeemeeuwen. Op 27 en 28 december werd in Casino het 12-1/2 jarig bestaan van de afdeling herdacht met een tentoonstelling en een fancy fair. Vaandrig Mos had met eervol ontslag de troep verlaten.

1924

Het 200e nummer van het troepblad "Berichten" is verschenen en redacteur hopman Slingervoet Ramondt had speciaal hiervoor een jubileumnummer uitgegeven. De redactie schrijft: "We mogen niet eigen loftrompet steken en hullen ons dus in een mantel van zwijgzaamheid. Maar beseft gij, lezer, wat het zeggen wil twee honderd maal erin geslaagd te zijn vier kantjes folio te vullen met paarse letters, die wat te vertellen hebben, en dat ondanks perioden van papierduurte, van ziekte, van inzinking en van ....o goden.... absolute afwezigheid van geestelijke bijdragen?" In het blad "De Padvinder" wordt het artikel "Stop het Lek" overgenomen en de redactie van "De Padvinder" schrijft: "Het is een honden baantje, en toch weer zoo'n fijn werk. Als je geloof hebt. En vertrouwen. En dit heeft Ramondt; ook de capaciteiten. Want de nestor der Nederlandse troepbladen staat m.i. nog steeds "bovenaan"[1].

In Den Bosch werd op 24 mei de jaarlijkse leidersvergadering gehouden. Bij het stadhuis werd prins Hendrik onder trompetgeschal en tussen twee hagen van padvinders onthaald door de burgemeester, terwijl de Prinsenvlag statig werd gehesen. In de raadzaal werd van half drie tot half zes vergaderd en om zes uur gingen allen, met de prins voorop, over het Marktplein naar hotel Lohengrin voor het diner. Om acht uur hield hopman Slingervoet Ramondt een lezing over De Padvinderij en de prins, die een goede vriend van de hopman was, woonde ook deze lezing nog bij. Voorzitter Franssen en de heer Maas stappen uit het bestuur, de heer dr. Minkema werd voorzitter.

1925

Op 24 januari werd door vereniging De Helderse Padvinders een bijeenkomst georganiseerd in Musis Sacrum, want er waren nog vele personen, vooral onder de ouders en opvoeders, die een onvolledige of onjuist oordeel over de bedoeling van de padvindersbeweging hadden. Onder de bezoekers bevond zich ook de burgemeester, de heer W. Houwing, die door voorzitter Minkema werd binnengeleid. Als spreker was districtscommissaris van de NPV, hopman J.W. Wessels uit Haarlem, uitgenodigd, die de betekenis van de padvinderij als middel tot betere internationale verstandhouding had behandeld, dat zo duidelijk tot uiting was gekomen tijdens de jamboree van 1921 in Kopenhagen waar padvinders uit 33 verschillende landen bijeen waren. Tevens werd door hopman Slingervoet Ramondt een serie fraaie lichtbeelden uit het praktische padvindersleven vertoond en er was een tentoonstelling van padvindersbenodigdheden en kampeerartikelen. De muziek werd verzorgd door de muziekgroep van de afdeling "De Trillende Snaar" en de meisjesgezellen gaven een paar zangnummers ten gehore, zoals het padvinderslied: "Naar de duinen, naar de plassen". Ook werd er een korte les in Zweedse gymnastiek gedemonstreerd onder leiding van de heer Stam. Voor de loterij werd op Amerikaanse wijze een lamp per opbod verkocht en de laatste bieder deed voor ruim 14 gulden een bod. Het bedrag diende voor aanschaffing van padvinderskleding voor onvermogende leden.

1926

Gedurende 1925-1926 nam hopman Slingervoet Ramondt afscheid van Groep 1. In het blad De Padvinder, waarin hij veelvuldig voor komt, wordt geen melding gemaakt van zijn vertrek bij de padvinderij. Wel kwam hij nog jaren langs bij de Helderse groep, bleef zeer actief op het terrein van de wetenschap, was leraar en zat in verschillende commissies en besturen in Den Helder. Op 22 juli trouwde hij met Nelly Bierman.

Op 3 december hielden de Helderse Padvindsters een bijeenkomst in het Militair Tehuis in de Spoorstraat. Als spreekster werd uitgenodigd mevrouw Wijnandts Francken-Dyserinck uit Den Haag. Rond 8 uur opende mevrouw Dekker-Klik de avond en vertelde dat het 6 jaar geleden was dat de vereniging werd opgericht en dat slechts één lid uit de eerste ronde nog steeds trouw aanwezig was, namelijk Ali Kwast, die een woord van hulde toekwam. Verder werd mevrouw Redeke genoemd, die vanaf de oprichting de vereniging met raad en daad gesteund had en nog steeds op alle mogelijke manieren betrokken was bij de padvindsters. Voor haar trouwe dienst overhandigde mevrouw Dekker-Klik haar de verenigingsster.

De spreekster mevrouw Wijnandts Francken-Dyserinck was als Nederlandse afgevaardigde aanwezig geweest op het 2e internationale congres van de padvindsters in Amerika. Van haar reis en bevindingen in het land van de vrijheid had zij een interessante serie foto's meegebracht, die zij met behulp van de heer Groen vertoonde. De overtocht naar Engeland was te zien en de ontvangst van de vertegenwoordigers van de verschillende landen door Engelse prinses Mary. Verder toonde zij de reis naar New York met de grote oceaanstomer Olympia, de aankomst in de haven van New York, waarvan het Vrijheidsbeeld al op verre afstand zichtbaar was. In New York werden de dames hartelijk ontvangen door de burgemeester en daarna werd de reis vervolgd naar Boston, het doel van de tocht. Er waren foto's van het uitgestrekte kamp in Boston en verschillende spelen en demonstraties door 3000 padvindsters. Het had mevrouw Wijnandts Francken-Dyserinck getroffen dat er zo uitstekende en eensgezinde geest onder de Amerikaanse padvindsters heerste. Als voorbeeld vertelde ze over een meisje uit Cuba, dat op 19-jarige leeftijd van de padvinderij hoorde en naar het kamp afreisde zonder en woord Engels te kennen. Ondanks alle moeilijkheden hield ze vol en binnen een half jaar was zij geheel van de padvinderij op de hoogte en voerde de padvinderij in haar eigen omgeving met heel veel succes in. Mevrouw Wijnandts Francken-Dyserinck vertelde over dat in Amerika nog steeds minachting bestond tegen Afro-Amerikanen, hoewel zij voor de wet gelijkgesteld zijn. Onder de padvindsters bevonden zich vele Afro-Amerikanen, het vooroordeel was geheel verdwenen en men ging zeer kameraadschappelijk met elkaar om. Verder waren in Amerika, veel meer dan in Nederland, de hele arme kinderen lid van de padvindersverenigingen. Deze kinderen, die leefden in de ellendigste achterbuurten, hebben de meeste frisse lucht en beweging nodig en men was in Amerika over het standsverschil heengestapt. Onder de padvinderij had daar een verbroedering plaatsgevonden.

Na de foto’s was er zang en dans van de verschillende afdelingen. Het eerste waren de kabouters aan de beurt, die in hun fleurige pakjes een leuk geheel maakten. Vervolgens waren de oudere meisjes aan de beurt. Heel goed werd een lentezang gezongen en tot slot een geestig Engels kampliedje getiteld Green Grow the Rushes-ho. Als afsluiting kwam een woord van dank voor mevrouw Ter Poorten, de leidster van de vereniging, die aangesteld was tot hoofdleidster van de kabouters. Mevrouw Redeke herinnerde de aanwezigen eraan dat de afdeling Amsterdam weer een eigen maandblad had opgericht.

1927

Er is misschien nog sprake van dat de heer Slingervoet Ramondt nog hopman is van troep 1. De assistent patrouilleleider Carel Colthof schrijft dat een hopman een pow-wow hield over Amerika en speciaal over efficiency, de betekenis en toepassing hiervan. Ook zei de hopman dat een padvinder zich niet alleen in de natuur thuis moeten voelen, maar ook gebruik weten te maken van de moderne uitvindingen der techniek.

Ruim 20 jongens hadden met Pasen gekampeerd. Van 10 tot 16 april de Uilenpatrouille, van 17 tot 20 april de Vossenpatrouille en later de Bevers- en Zeemeeuwenpatrouilles. Ze hielden sluipoefeningen, maakten kampvuur en speelde voetbalwedstrijden, waarmee ze prijzen konden winnen. Een kamp werd op een avond rond 11 uur door vreemde jongens overvallen, maar dat werd schitterend afgeslagen.

Op Texel werd, zoals elk jaar, St. Jorisdag gevierd, maar vanwege het slechte weer werd de tocht uitgesteld van zondag 24 april naar 1 mei. Om 9 uur vertrok de troep met de boot naar Texel en in Oude Schild hield de hopman op de Zeven Pannenkoeken een voordracht over de bedoeling en betekenis van St. Jorisdag. Hierna herhaalden de padvinders de belofte en werden twee leerlingpadvinders geïnstalleerd en werden drie padvinders 2e klasse. In Den Burg werd het dorp, de toren en Hotel Texel bezocht. Er werd veel gezongen en de hele weg van Den Burg naar Oude Schild werd in kaart gebracht. Om 6 uur kwam de troep weer in Den Helder aan.

De Tijgerpatrouille was opgedoekt en daarvoor in de plaats was een nieuwe Zwaluwenpatrouille opgericht onder leiding van S. Zandstra en B. Melis.

In december werd een groepsblad opgericht, een gestencild blaadje met wederwaardigheden uit die dagen. Er zijn inmiddels ook welpen bij de troep gekomen en de vereniging komt in het systeem van groepen.

1928

De padvinderswereld was in rep en roer. In het Engelse reglement was een wijziging gekomen, waarbij het lidmaatschap van een kerkgenootschap noodzakelijk werd geacht. Deze reglementswijziging was door het hoofdbestuur van de Nederlandse vereniging overgenomen en daardoor was een conflict ontstaan met afdeling Amsterdam, die op dat moment de grootste afdeling was onder leiding van dr. C.P. Gunning. De wijziging in het reglement kon makkelijk in Engeland worden ingevoerd omdat de Anglicaanse kerk de staatskerk was. In Nederland was het onmogelijk, omdat veel mensen bij geen enkel kerkgenootschap waren aangesloten. Het is niet duidelijk hoe de wijziging in het reglement en het conflict van invloed is geweest op de vereniging in Den Helder, maar enige tijd later werden daar twee religieuze groepen opgericht, nl. een christelijke (de Wilhelminagroep, op 27 februari 1929) en een katholieke groep.

1929

Op 25 februari werd in Den Helder de tweede groep opgericht en het werd een afdeling van de Christelijke Jonge Mannen Padvinders Vereeniging in Nederland. Het initiatief werd genomen door een aantal personen van het bestuur en ook op verzoek van jongelui, o.a. van Joop Triest, een ijverig lid van de troep van de NVP-afdeling. Enige tijd later werd er ook een derde groep opgericht, want de belangstelling voor de katholieke verkennersvereniging was stijgende en er waren in 1929 nog voor de bisschoppelijke goedkeuring meerdere katholieke troepen opgericht in het land. In Rotterdam drie, Amsterdam twee, Den Haag vijf, Utrecht vier en verder in Schiedam, Haarlem, Tilburg, Breda, Roermond en Den Helder. Zodra de bisschoppelijke goedkeuring in 1930 een feit was geworden werden overal in het land afdelingen van de Katholieke Verkenners opgericht.

Op St. Jorisdag werd de voortrekker J. Triest geïnstalleerd als assistent-groepsleider van de uit vijf leden bestaande voortrekkersstam. De verkennerstroep telde een viertal patrouilles, n.l. de Zeemeeuwen, Zwaluwen, Kieviten en Vossen.

Op 20 mei, 2e Pinksterdag voltrok zich een gebeurtenis die de groep nog lang zou heugen. In de duinen tussen paal 3 en 4 woedde omstreeks 5 uur een ernstige brand tegenover de boerderij De Kleine Keet bewoond door de heer D. de Graaf sr. Het was een vlammenzee over een lengte en breedte van ongeveer 150 meter en het vuur danste tegen de tamelijk sterke wind en verwoeste steeds meer duinbeplanting. Er was veel belangstelling die het schouwspel gadesloegen, maar er waren ook actievere mensen, waaronder vier padvinders en die hadden zich gewapend met stokken en de brand begonnen te blussen. De padvinders hadden hun dassen voor neus en mond gebonden bij wijze van rookmasker. Ze sloegen de vlammen uit en hadden daarbij succes zodat de brand zich niet kon uitbreiden. Later kwam ook de politie en nam direct een actief aandeel bij de blussing. Om half zes was het gevaar geweken en was 3000 a 3500 vierkante meter van het duin verbrand. Als beloning voor deze goede padvindersdaad mochten van Rijkswaterstaat de Helderse padvinders elk jaar met Pinksteren in de duinen bij paal 5 kamperen.

1930

In januari werd een afscheidskampvuur gehouden voor assistent-ploegleider Joh. Triest, die naar de West (nu Caribisch Nederland) vertrok.

Op maandag Tweede Paasdag bezochten 60 Helderse en 12 Enkhuizer padvinders Texel tot het houden van de traditionele St. Jorisviering. Bezocht werd o.a. Den Burg en de Texelse bossen. De leiding bestond uit hoplieden Dijkstra en Vlietstra.

Door de Helderse padvinders werden elk jaar op St. Nicolaas levensmiddelen en kleding uitgedeeld aan de armen. Voor dit doel gingen enkele padvinders bij de winkeliers rond voor benodigde goederen. De week daarop werden de goederen per kar opgehaald, maar dat ging niet altijd goed. Verkenner W. v.d. Braak schreef dat een winkelier aangaf iets te mogen halen, maar tot twee keer toe de padvinders met lege handen weg liet gaan. De verkenner zou het liefst de naam van de winkelier publiceren.

1931

Op 28 februari gaf de 1ste Helderse Padvindersgroep een uitvoering in Musis Sacrum ter gelegenheid van haar 20-jarig bestaan.

In april bezocht prins Hendrik Den Helder om oefeningen van het Rode Kruis en de padvindersgroep bij te wonen. Aan boord van de Hr. Ms. Van Nes voer de prins via IJmuiden naar Den Helder en om ongeveer half twaalf arriveerde de Van Nes in de haven. Na aankomst begaf de prins zich naar het stadhuis voor de ontvangst. De prins bezocht aan het strand de oefeningen van het Rode Kruis en daarna ging het gezelschap naar het terrein van de waterleiding, waar drie groepen padvinders, de Nederlandse Padvinders, de Katholieke Verkenners en de CJMV-padvinders stonden opgesteld. Net als bij het Rode Kruis was er een vrij groot ongelukkenprogramma voor elke groep samengesteld. Vlug en handig verrichtten de padvinders de oefeningen en het viel op hoe regelmatig de verbanden werden gelegd. Wanneer eerste hulp moet worden verleend, was dit bij de padvinders in goede handen. De drie leiders, resp. de heren Carel Colthof, Moester en Vlietstra, werden door de prins toegesproken.

Op 30 september konden bezoekers alvast een kijkje nemen in het nieuwe troephuis van de christelijke padvinders. Hopman Van Puffelen leidde het gezelschap naar de grote troepzaal, die geheel geslaagd was gerestaureerd. De wanden van het troephuis waren gehouden in de kleuren van de troep: oranje-grijs, afgezet met diverse padvinders-emblemen. De achterzaal was gehalveerd zodat daar gelegenheid werd gevonden tot het inrichten van twee kleinere vertrekken: een Wulpennest en een Hordehol. Boven waren twee vertrekken: een Sperwernest en een Kemphanenverblijf. In de avond vond de opening plaats. Hopman van Puffelen liet zijn jongens hun groet uitbrengen en patrouilleleider Van der Leek zei de wetsartikelen op en daarna las gids Dick Franken de welpenwet voor. De hopman las vervolgens een gedeelte uit de bijbel, waarna hij een kort welkomstwoord spreekt en de zieke hopman Vlietstra gedenkt. De secretaris van het groepscomité, de heer Van Doorne droeg het huis over aan de padvinders. Door hopman Moesters van Groep 3 en Vaandrig Carel Colthof van Groep 1 worden felicitaties uitgesproken, gevolgd door een zeldzaam stukje vuurwerk. Vervolgens werden een aantal verkenners en welpen geïnstalleerd. Na deze officiële opening werden er verschillende activiteiten gehouden. De reuze-huis-baas, de gulzige slang, kampvuren met ontvluchtende tikkie-loop-spelers, kokende berenmelk (of iets dergelijks), pantomimes, muzikale boefjes en bijziende dokters. Ds. Damsté sloot met een dankgebed de late avond af.

1932 - 1941[bewerken | brontekst bewerken]

1932

In dit jaar kreeg de 1ste Helderse Padvindersgroep zijn naam. Er werd officieel toestemming verkregen van het Nationaal Hoofdkwartier (NHK) om de naam De Jutters te mogen voeren. Sindsdien werd de naam op het uniform op de rechterborst boven de borstzak gedragen. De troep bestond uit een horde van 11 leden, een troep van 26 leden en een stam van 10 leden. De heer J. Metzelaar was voorzitter van het groepscomité en redacteur van het groepsblad, waaraan nu ook het Nederlandse Meisjesgilde en de CJMV-padvinders meehielpen. Het groepshuis was gevestigd in de Dijkstraat 37.

Van de plaatselijke pioniersters van het Nederlandse Meisjesgilde kreeg de groep een nieuwe groepsvlag uit dankbaarheid voor het beschikbaar stellen van het groepshuis voor een periode toen zij zonder onderdak waren.

Een nieuwe stam, de Helderse Squatter van groep 1 werd opgericht en er werd een oproep gedaan aan alle oud-padvinders en hen, die voor het padvindersleven voelen en de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt. De stam kwam eens per week samen, gaven elkaar hulp in alle mogelijke dingen en zaken en ook anderen die niet tot de stam behoren te helpen waar en wanneer het nodig was. Het doel was dus het dienen van anderen in praktijk te brengen. Er werden ook diverse vaardigheden beoefend, zoals E.H.B.O, seinen, splitsen, knopen en koken van eigen maaltijden bij het maken van gezamenlijke zwerftochten. Gezamenlijk werden besprekingen over verschillende onderwerpen gehouden.

Op 23 januari kwam hopman J.A. van Puffelen plotseling na een kort ziekbed te overlijden. Op 26 januari werd hij door de CJMV-padvinders en tal van belangstellenden in Huisduinen begraven. Hopman Van Puffelen had in de korte tijd dat hij leider was van de christelijke padvinders het hart van de jongens veroverd, door zijn hartelijkheid, door zijn spontaniteit en zijn grote liefde voor de padvinderij. Diep ontroerd waren allen dat deze krachtige jongeman, die een week tevoren nog met zijn jongens naar de duinen trok, nu naar zijn laatste rustplaats werd gedragen. De heer P.C. de Boer bracht een laatste groet als voorzitter van het afd. bestuur van de NPV en mede namens de heren mr. Baert en v.d. Berg, respectievelijk de districtscommissaris en de assistent-districtscommissaris. De heer Moestert sprak namens Groep 3 een kort woord. Tenslotte werd door de vader van de heer Van Puffelen diep ontroerd een dankwoord gesproken voor de laatste eer aan zijn lieve zoon bewezen.

Van 2 t/m 12 augustus deden de drie groepen uit Den Helder mee aan het Nationaal Padvinderskamp op het landgoed Oosterbeek in Wassenaar. Groep 1 werd geleid door vaandrig Coltof, Groep 2 door hopman Kerkhoven en Groep 3 door hopman Moestert.

In november waren allerlei geruchten in omloop. Er zou een geheel mechanische mens te zien zijn op de fancy fair van de Jutter padvinders. Een mechanische mens met een lichaam van ijzer, was en staal en wanneer je iets tegen hem zei gaf hij prompt antwoord. De fancy fair werd georganiseerd door hopman Jole, zijn rechterhand Cor Snijders en vaandrig Coltof. De padvinders werkten hard om het clubhuis op 't Dijkje te veranderen in een formele winkelstraat. Op de wand van het clubhuis stond dan ook: "Als je niets te doen hebt, doe het dan niet hier".

1933

De heer Metzelaar werd troepleider van Groep 1 De Jutters.

In de Koningstraat in het Musis Sacrum werd onder leiding van de heer Metzelaar een zang- en cabaretavond gehouden met daarbij een verloting voor het kledingfonds en voor uitbreiding van het materiaal en de huur. De gezamenlijke Jutters zongen padvinderslieden en het cabaret begon met het stuk Oude Hollandse dame in de grote stad, gevolgd door de vijf Kentucky Singers en de Voetbalclub van Knuppelveen. Het hoogtepunt van de avond was het dramastuk De padvinders van Nergenshuizen, dat door de verkenners en welpen werd opgevoerd. Het behandelde de lotgevallen van vijf Hollandse jongens, die als blinde passagiers mee waren gegaan, op een eiland waren terechtgekomen en in de handen van Indianen waren gekomen. Gelukkig is er onder deze Indianen een vuurgod, die de jongens helpt, want hij is zelf een Amsterdamse jongen, die verdwaald raakte. Na de pauze werd een stuk opgevoerd dat indertijd vervaardigd was door de toenmalige hopman Slingervoet Ramondt, die op de avond ook aanwezig was bij de vertolking. Het stuk behandelde een scene uit het leven van een padvinder die gevangen wordt door twijfel en verlangen, dat symbolisch voorgesteld werd door de figuur van Mephisto, die zijn verlokkende aanbiedingen in de oren van de jongen blies. Het koste de jongen tijd, maar tenslotte waren de eden en beloften sterker dan deze inblazingen, zodat Mephisto het moest afleggen en de goede voornemens het wonnen.

Zaterdag 23 september was een belangrijke dag voor de groep. Ten eerste werd de groep bezocht door ADC de heer V.d. Berg uit Alkmaar. Er werden twee welpen geïnstalleerd en liepen een gids en helper over naar de verkenners. Twee helpers en een gids werden geïnstalleerd en kregen hun bandjes. K. Spits, de patrouilleleider van de Reigers kreeg zijn 1e klas teken en twee insignes n.l. lichamelijk geoefendheid en zwemmer. Senior-patrouilleleider, de heer Metzelaar, werd officieus tot assistent-verkennersleider aangesteld en wegens voorlopig gebrek aan een akela ook officieus tot waarnemend welpenleider. Ook werden er bosjes jaarsterren en insignes uitgereikt. Er waren drie vaandrigs bij de groep n.l. Coltof, Korndörffer en Snijder. Bij de stam De Squatters waren twee ploegen met in beide een ploegleider en assistent-ploegleider en verder was er een stamleider (baas) en een voortrekkersleider (oubaas). Ger Bakker is stamleider, A. Grendel en W. v.d. Braak de ploegleiders en G. Dietrich en J. Vossenberg de assistent-ploegleiders. De patrouilleleider van de Kieviten was S.W. Schellinger.

In oktober hielden de verkenners een reuze duinoefening o.l.v. de oubaas. Hopman Jole had een noodlottige val in het duin en was pas genezen. Er was een poging tot oprichting van een Groep 4, maar mocht tot dan toe nog niet slagen. Het zou een groep moeten worden voor arme jongens en jongens van weinig tijd. Een paar van de oprichters werden 17 jaar en kwamen als voortrekker bij Groep 1. In november werd door akela Cor Snijder een ster aan een welp uitgereikt en kreeg zelf een jaarster met een 5 erop. Henny van Wolferen werd patrouilleleider van de Zwaluwen, Karel Keyzer van de Kieviten werd geïnstalleerd tot verkenner en Kees Spits, de patrouilleleider van de Reigers, kreeg zijn groen-witte koorden. S.W. Schellinger kreeg het insigne Tolk (Franse taal) De voortrekkersstam De Squatters hielden onder leiding van districtscommissaris oubaas V.d. Plank een districtsbijeenkomst voor voortrekkers uit o.a. Den Helder, Alkmaar, Hoorn, Haarlem en Zaandam. In december werden door de groep weer veel gezinnen gelukkig gemaakt voor St. Nicolaas, ook dankzij het dokken van de winkeliers. Er werd veel schaats gereden en ze deden vele padvindersspelletjes op de schaats.

De verkennersafdeling hielp iedere zaterdag op fort Erfprins het Rode Kruis van Den Helder met haar oefeningen. Een activiteit was bijvoorbeeld het redden van bewusteloze uit brandende huizen met gasmaskers. Door stamleider Ger Bakker werd een patrouilleleiderscursus gegeven. J. Zander van de mislukte Groep 4 werd nieuweling van de voortrekkers.

1934

De volgende groepen waren onderdeel van afdeling Den Helder:

  • Groep 1 De Jutters NPV
  • Groep 2 CJMV
  • Groep 3 St. Nicolaasgroep KV
  • Groep 4 Watergroep KV


De verkennersafdeling hield in november een padvinderstentoonstelling in het groepshoofdkwartier. Zeer veel interessants was er te zien, zoals miniatuurmodelkampen, gipssporencollecties, tentenopstellingen, touwladders, noodbrancards, fietsbrancard en boetseer- en knutselwerk. Daarnaast nog schelpencollecties, zeeanemonen, -rozen of egels, imitatienesten van in de streek voorkomende vogels.

De patrouilleleiders van de groep hielden een patrouilleleiderscursus o.l.v. A. Grendel, ploegleider-Bagheera en de VT-stam The Squatters hadden samen met de pioniersters van het NMG een nieuwe stamhut gebouwd. De nieuwe hut werd in middeleeuwse stijl opgetrokken in een voormalige patrouillekamer. Het geheel staat in het St. Jorismotief.

In december kreeg Groep 1 de ADC op bezoek en met Kerstmis werd er een groepsaandacht gehouden o.l.v. TVL-vaandrig C.K. Corndörffer. Hierbij werd de betekenis van het kerstfeest voor padvinders uitvoerig besproken. De PL's en APL's van de groep gingen naar Alkmaar om daar wedstrijden te houden voor de groepen uit het Noorderkwartier en ze wisten daar de eerste prijs in de wacht te slepen.

1935

Op 2 februari was een groepsbijeenkomst met de welpen, verkenners en voortrekkers en de heer Metzelaar werd als groepsleider geïnstalleerd. Op 13 maart werd er een ouderavond gehouden en hopman Metzelaar vertelde dat de avond voornamelijk gevuld zou worden met samenspraakjes. Eerst was het de bedoeling meer een demonstratie van het werk te geven, maar dit werd uitgesteld tot de zomer. In de eerste plaats was er het verhaal van de padvinders van Wilderbosch. Er was een schraper van een pachtheer, die 1000 gulden van zijn boeren kreeg en zei dat die allemaal maar aan de galg moesten. De padvinders mochten niet meer in zijn bos kamperen, maar tenslotte had hij aan diezelfde padvinders zijn leven te danken. Toen werd hij zo vertederd, dat de jongens 100 gulden voor de kas kregen en dat zij net zo veel keren mochten kamperen als zij wilden. Verder een geweldig modern drama. Een uitvinder leeft eenzaam op de hei en heeft een robot uitgevonden. Net een echt mens. Anderen wilden zijn geheim bemachtigen en tenslotte deinsde zij er niet voor terug hem te doden. De robot zelf maakt echter de gehele bende onschadelijk. Twee padvinders beleven dit afgrijselijk schouwspel en daaraan verbindt één van hen een moraal. "Toch padvinder" was de geschiedenis van een deugniet met zeer lage cijfers op zijn rapport. Vechten was aan de orde van de minuut. Bijna kreeg hij daarbij een ernstig ongeluk, maar een padvinder hielp en de kleine Pruttelman, zoon van de grote Pruttelman werd toch padvinder. Daar was heel wat voor nodig, want pa Pruttelman was niet direct overtuigd, maar zondag gaat-ie zelf kijken en dat doet-ie en dat-doet-ie en... dat-doet-ie! Tenslotte een blijspel in vier bedrijven "Zwaluwen in actie". Een ziekelijk jongetje dat door zijn grootmoeder totaal verkeerd wordt verpleegd krijgt bezoek van padvinders en brengen wat leven in de brouwerij. Uiteindelijk wordt het een jongen, die met de anderen mee kan doen en hij wordt dan natuurlijk ook padvinder. De welpen hielden een oerwouddans. Er waren wolven en jakhalzen en er was een tijgerkoning, Shere Khan en een jongetje, dat bij de dieren leefde, dat door de wolven opgevoed was als wijlen Romulus en Remus. Dan waren er demonstraties in het touwslingeren, het maken van brancard van twee fietsen, touw en een paar stokken in enkele minuten, het kampvuur met liedjes en een mondharmonicasolo.

1936

De Helderse groep 1 De Jutters, afdeling van de NPV, was 25 jaar geworden en op zaterdagavond 15 februari werd in Casino een jubileumavond gehouden. Eind 1936 kwam het verenigingsblad De Bronzen Pijlpunt tot stand met als hoofdredacteur hopman J.J. Vlietstra. Het was een echte voorloper van de Smurffiaan, echter alleen nog voor de NPV-groepen.

1937

Er was vreugde op het Koningsplein. Een 60-tal Helderse padvinders, onder leiding van hopman Metzelaar en hopman Vlietstra, gingen met twee bussen naar de kaasstad Alkmaar. De AVRO organiseerde in verband met de komende wereldjamboree een soort openbare les, waarbij de jamboreeliedjes werden doorgenomen onder leiding van Jacob Hamel, Nederlands bekendste jeugddirigent. De tocht naar Alkmaar, via Bergen en Schoorl, kenmerkte zich door louter enthousiasme en zonder een moment pauze werd het hele repertoire gezongen. In totaal waren ongeveer 300 padvinders uit Noord-Holland aanwezig. In Alkmaar ging het naar De Harmonie en verscheen AVRO's voorzitter, de heer Clerq, die een kort inleidend woord sprak. Even later verscheen Jacob Hamel, die door de composities van o.a. Jarig Jetje en Kleepermarsch een zeldzame bekendheid verworven had. Hij was gestoken in padvindersuniform. Korte kaki broek, dito das en jasje. Hamel als boy-scout. Er werd een paar kwartier gerepeteerd en het was een sensatie in het barokke Harmoniezaaltje met de 300 zingende padvinders. Het hele programma werd gezongen van Hoort zegt het voort tot Piet Hein en van Varia tot het Jamboreelied. Na de repetitie kwamen de microfoons en werd het ernst. Rode en witte lampjes flikkeren aan en er werd uitgezonden. Nederland luisterde naar Noord-Holland en het werd een volkomen succes. Iedereen moest lachen en zelfs de heren van de rapportagedienst hadden er schik in. Het duurde een half uur en er werden een 3-tal toegiften uitgevoerd. Voordat men weer met de twee bussen naar huis ging werd er nog een speurtocht in de kaasstad ondernomen. Al spoedig had men een winkeltje ontdekt, dat slagroomsoezen voor een zacht prijsje van de hand deed, terwijl anderen de ijscolieden bestormden. Vooral de afgezant van de firma Laan werd in een mum van tijd los gemaakt van zijn ijsjes en lolly’s.

Op 31 juli ging een afvaardiging van de Helderse padvinders naar de 5e wereldjamboree in Vogelzang. Verkenner Jan Slort mocht tot zijn verdriet niet mee, omdat hij nog geen verkenner 2e klas was. Tussen Alkmaarders, Horinezen en Zwitsers hadden de Helderse Jutters hun kamp opgeslagen. Men bereikte het via een toegangspoort, waarop met grote letters "De Jutters" stond geschreven en er waren een drietal kampkeukens aan weerszijden van het kampterrein opgesteld. Op het achterterrein stond een grote 12-persoons tent, die omgeven was door enkele kleinere. Er werd gezocht naar padvinders van andere nationaliteiten en vooral de Amerikanen hadden drukke betrekkingen. De Helderse padvinders maakten veel indruk met hun "wooden shoes" en er werd veel gedaan aan "change", het ruilen van snuisterijen en andere onderscheidingstekens.

1938

Op 1 januari werd ir. Slingervoet Ramondt in intieme kring gehuldigd. Het was 25 jaar geleden dat hij werd aangesteld als leraar in scheikunde voor de adelborsten van de Zeedienst en als docent in warenkennis en technologie voor de adelborsten van de administratieve opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. Zowel de commandant van de inrichting, overste C.J. baron van Asbeck, als oudste leraar, dr. Dibbetz, spraken de jubilaris toe. Als stoffelijk blijk van belangstelling werd hem een leunstoel aangeboden. De huldiging geschiedde in tegenwoordigheid van officieren en leraren. De heer Slingervoet Ramondt was ook lid van een commissie die belast was met het rangschikkingsonderzoek van de kandidaten voor adelborst voor de administratie bij het instituut.

1939

Voor een stampvolle zaal werd in het begin van het jaar de revue Extra Editie opgevoerd en dat werd tot een heel goed eind gebracht met een groot batig saldo. Na de revue werd er weer flink gewerkt aan het opleiden van welpen tot verkenner 3e klasse en het leren van nieuwe 3e en 2e klasse-eisen. Alleen wist de patrouilleleider van de Houtduiven niet wat hij moeten aanvangen met de 2e klasse-eis houthakken. In Den Helder zijn er maar weinig bomen en degene die er nog zijn staan in plantsoenen en straten.

De troep had inmiddels acht patrouilles en werd te groot. Er werd besloten om de troep te splitsen in De Jutters 1 en De Jutters 2. De Jutters 1 bestond na de splitsing uit vier patrouilles, een voortrekkersstam en een grote welpenhorde. De verkenners stonden onder leiding van hopman Metzelaar en drie SPL's.

Op zaterdag 1 april hielpen De Jutters 1 met fakkel dragen ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Koninklijke Marine Kapel. Oorspronkelijk zouden de patrouille Houtduiven en de patrouille Reigers met Pasen kamperen bij paal 5, maar door de internationale toestand ging dat niet door omdat de gehele kuststrook door de militairen was afgezet. Op zaterdag 22 april was er een bijeenkomst in het troephuis en werd er een SPL tot vaandrig geïnstalleerd door de ADC Wensinck. 's Avonds werd een St. Joriskampvuur gehouden samen met de Jutters van troep 2. De hopman las de van ouds bekende legende voor, waarna oud-hopman Slingervoet Ramondt één van zijn eigen geschreven stukjes voorlas, uit een heel oude Verkennersjaargang. Met het zingen van het Wilhelmus werd het kampvuur beëindigd. De dag na St. Joris werd samen met de welpen van troep 2 een grote speuroefening gehouden, waaraan prijzen verbonden waren. Er was n.l. ingebroken in het grote Nutsspaarbankgebouw en de hopman had zijn medewerking toegezegd om de schatten op te speuren, die de dief verloren had, toen de zak waarin hij de juwelen bewaarde langs een grote spijker openscheurde. Op zondag 30 april werd de kaderpatrouille door de hopman geïnstalleerd. Deze patrouille zou de Juttergroep in Alkmaar vertegenwoordigen.

De Jutters hadden boeken en tijdschriften opgehaald voor de gemobiliseerden. In het gebouw aan de Janzenstraat lagen stapels lectuur van de meest uiteenlopende aard. Alle kwartieren werden van boeken en tijdschriften voorzien en de matrozen zeiden: "Zie je, da's nou nog 's werk!". De padvinders deden mee aan luchtbeschermingsoefeningen.

1940

Op zaterdagavond 13 april werd in Casino de padvindersrevue opgevoerd en stond in het teken van het Jutterstroephuis, dat geen gewoon troephuis meer was. Het was een griezelpaleis, een Lunapark waardig, waar men keer op keer dreigde te verongelukken en zich moest gedragen als een acrobaat om er levend uit te komen. De balken waren verrot, de muren verzakt en gescheurd, de zolder levensgevaarlijk en het dak dat eigenlijk ontbrak. De revue bestond uit demonstraties van hetgeen de padvinders zoal presteren en het stuk dat werd opgevoerd ging over verkenners die aan het spoorzoeken zijn in het bos en raken op een gegeven ogenblik het spoor kwijt. Ze vinden een aanplakbiljet, waarop staat vermeld dat de heer Jan Degelijk, de conservatieve hoofd van een school in Wiersum en vertolkt door de seniorpatrouilleleider C. Mantz, een voordracht zal houden over het verderfelijke van jeugdverenigingen. De hopman besluit naar die lezing toe te gaan en daar eens hartig woordje met de heer Degelijk te wisselen. Als de heer Degelijk zijn langdurig betoog houdt over het nadeel van blote knieën wordt hij onderbroken door de hopman, die hem uitnodigt eens een kijkje te nemen bij de padvinders. Uiteindelijk komt Jan Degelijk aanmerkelijk gunstiger tegenover de padvinderij te staan en richt in Wiersum een eigen groep op. Als zijn nieuwe groep geïnstalleerd moet worden komen zij daarvoor naar de Jutters. Na de revue volgde nog een kampvuur, waarbij alle aanwezigen de gelegenheid kregen mee te zingen. Tot slot volgde nog zang door enkele padvinders met gitaarbegeleiding op een stemmig verlicht toneel.

Over de Jutters was bekend dat ze de gewoonte hadden om zowel op Baden-Powelldag als op St. Jorisdag de hele dag hun uniform te dragen. De St. Jorisviering geschiedde aan een gezellig namaakkampvuurtje in het troephuis, op gebruikelijke wijze, met de legende, installaties, zang en vertellingen, waaronder één geschreven door professor Weetikveel en door hemzelf voorgelezen, op een manier die zeer op de lachspieren werkte. Enige militairen o.a. leiders uit Gouda en Krommenie en een voortrekker uit Suriname hadden het troephuis bezocht, om hun belofte te herhalen en weer eens echt padvinder te zijn.

Op 12 oktober hield de Openbare Leeszaal in het Christelijk Militair Tehuis aan de Kanaalweg een ledenvergadering. Er werd gesproken over de kwestie van de leesportefeuille, want deze is, na het bombardement van 24 juni en de algemene vlucht uit de stad, geheel gedesorganiseerd en de circulatie heeft enige maanden stilgestaan. Het dagelijks bestuur heeft in de persoon van de heer Slingervoet Ramondt een ijverig en bekwaam medelid verloren, wiens adviezen zeer op prijs werden gesteld en zich genoodzaakt zag Den Helder te verlaten. Hij was ook één van de slachtoffers van de ontwrichting van het maatschappelijke leven ten gevolge van de oorlog.

1941

Helderse Padvinders van 16 jaar en ouder deden, na toestemming van de ouders, mee aan de gemeentelijke luchtbescherming. Dat waren dan hoofdzakelijk koeriersdiensten, terwijl ook telefoonposten werden bemand.

De Duitse bezetters hadden al gauw na de meidagen van 1940 het voornemen tot gelijkschakeling naar Duits model van de Nederlandse jeugd. Zij hadden daarbij vertrouwen gesteld in het opgaan van de jeugdorganisaties in de NSB-getinte Nationale Jeugdstorm. In de vergadering van juli in Amsterdam van het Jeugdleiders Instituut werd evenwel met grote mate besloten dat de organisatie onder geen enkele omstandigheid zich zouden gelijkschakelen. Slechts van één jeugdgroep, de padvindersgroep Jan van Nassau uit Amsterdam, is bekend dat deze met veel bombarie in zijn geheel overging naar de Nationale Jeugdstorm. Op 2 april werden commissarissen van de padvindersbewegingen uit hun bed gelicht en verhoord door de Sicherheitsdienst. De Duitsers waren van oordeel dat de chief scout Baden-Powell de organisatie had opgericht om internationale spionage te bedrijven en dat de padvinderij "England-freundlich eingestellt war und ihre Befehle von den internationalen Buro in London erhielt". Uniformen en insignes mochten niet meer worden gedragen, clubhuizen moesten worden gesloten en padvinderslectuur mocht niet meer worden verspreid. Het vermogen en bezittingen van het hoofdkwartier en van de groepen werden in beslag genomen.

Hopman Metzelaar had in alle stilte al vroegtijdig met zijn verkennersleiders een alarmstelsel ontworpen om te voorkomen dat de padvindersbezittingen van groep 1 De Jutters in de handen van de bezetter zou vallen. Hij woonde toen in de Breestraat in de "ouwe" Helder, dichtbij het troephuis op het Dijkje en kon goed een oogje in het zeil houden. Bovendien beschikte hij over goede contacten met rijks- en gemeenteambtenaren. Op een zeker moment had hopman Metzelaar via een politieambtenaar lucht van gekregen dat van Duitse zijde een inval in het troephuis op het Dijkje werd beoogd. De voordeur van het troephuis was al verzegeld. Hopman Metzelaar en de padvindersleiders Cor Labohm, Joop Pottinga, Piet Groot en Carlos Mantz, hebben zich toen toegang verschaft en hebben nog tijdig de waardevolle inventaris van het troephuis in veiligheid weten te brengen. Hopman Metzelaar nam het Juttersgroepvaandel, waarop de padvindersbelofte werd afgelegd, mee naar huis, Cor Labohm ontfermde zich onder meer over de bibliotheek en Joop Pottinga nam het beheer over de patrouillelogboeken op zich. De inval, die inderdaad was gekomen leverde dan ook voor de bezetters bitter weinig op.

1944 - 1948[bewerken | brontekst bewerken]

1944

Om niet geheel verstoken te zijn van één van de belangrijkste onderdelen van de padvinderij, het periodiek kamperen, had Joop Pottinga bij de ANWB een mentorcursus kamperen gevolgd en had ook het certificaat mentor gehaald. Samen met een paar jongelieden werd een instructiekampje gehouden in de omgeving van de Streepjesberg (ter plaatse van het huidige sportpark bij de Grafelijkheidsduinen) , in padvinderskringen ook wel de Majuba genoemd. Het kleine gezelschap bestond naast Joop Pottinga uit Enny Bels, de verloofde van Joop, Ton Pottinga, Johan Steenkist, de broers Aad en Hennie Rietveld, Lucy Weitering, Tiny Kreuger en Walter F. Walboom. De instructieve dag bleek een succes te zijn en merkwaardig was dat ze niet gestoord werden, want er waren genoeg Duitse eenheden in de duinen en op de Streepjesberg stonden zoeklichten opgesteld. Het kampje leidde ertoe dat de banden werden aangehaald en het praathuis werd de sigarenwinkel en de woning erachter van de familie Pottinga in de De la Reystraat 33. Het troephuis op het Dijkje ging ten onder aan de sloopwoede van de bezetters.

1945

Tijdens de bevrijding verscheen op 8 mei een drietal Engelse gepantserde vechtwagens voor het raadhuis. De commandant, captain George Eyles, maakte zijn opwachting bij waarnemend burgemeester J. Wessel. De heer Wessel zou per 19 mei worden opgevolgd door de heer E.J.H. Volkmaars, inspecteur der invoerrechten en accijnzen aan de buitenhaven, die eerst districtscommissaris van de padvinders zou worden en later hoofdcommissaris van de NPV. Op 1 juni aanvaarde burgemeester G. Ritmeester, terug uit gevangenschap in het Duitse concentratiekamp Buchenwald, zijn ambt weer. Een aantal padvinders werkten een drietal weken als vrijwillergershulpkok voor de semi-burgers van de Binnenlandse Strijdkrachten, de BS, afkomstig uit Wieringenmeer; die waren tijdelijk in de BLO-school aan de Hector Treubstraat gelegerd. Jan Slort ontmoette hopman Moesterd, de leider van de r.k. zeeverkenners en langzamerhand keerden van buiten oud-padvinders weer terug in Den Helder. Sommige waren tewerkgesteld geweest in Duitsland, anderen kwamen terug uit hum evacuatieoord, zoals Anna Paulowna en Koedijk. Velen ervan werden weer actief als leider bij de padvinderij en in augustus was het eerste gezamenlijke zomerkamp van de oud-padvinders en oud-padvindsters in de Nollen bij Donkere Duinen (één kilometer ten zuiden van Majuba). De eerste welpenhorde hield kort na de bevrijding een van de eerste bijeenkomsten op de sportvelden aan de Sportlaan. De nieuwe welpen droegen een witte das die later, na hun installatie, vervangen zou worden in de kleuren van de Juttersgroep, rood en grijs. Hopman Metzelaar, die ook wel Hopman Blote Knie werd genoemd, omdat hij 's winters gekleed in korte broek op de schaats verscheen, was ook weer van de partij.

1946

Zoals bij de oprichting in 1911 was het aantal aanmeldingen zeer groot zodat besloten werd tot een splitsing. Zo ontstonden Groep 4 De Jutters-Willemsoord met hopman Joop Pottinga en vaandrig Jan Slort en groep 5 De Jutters-Slingervoet Ramondt met hopman Cor Labohm, later Piet Vijselaar en Wim Kalkman. Groep 1 De Jutters met hopman Jaap Metzelaar had een onderverdeling gekregen waarvan hopman Theo Verburgt de leiding had. Verder kwam er nog de luchtverkennersgroep Frits Diepen met als hopman Joop Niesthoven. De christelijke groep 2 kreeg de naam Prinses Wilhelminagroep en één van de leiders was Dick Klik, later generaal-majoor van de Koninklijke Luchtmacht en gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie. De Nicolaasgroep en de Paulusgroep behoorden tot de Helderse rooms-katholieke groepen. De voortrekkers van de districtsstam De Squatters hadden tot september als leider oubaas Rein Gomes en als baas Cor van der Lek. De echtgenote van oubaas Rein Gomes, Guido Gomes, was leidster van de meisjespadvindsters en de akela van de welpen was Enny Bels, verloofde van Joop Pottinga. Andere welpenleidsters en leiders die ingedeeld werden bij de groepen van De Jutters waren Loet Labohm, Jopie (Jobo) Bootsman, Truida Hemelrijk , Jo Kreijger, Corrie Bakker, Jannie Schadee, Loes van der Wijk, Ati Molenaar, Henny Martin, Metty Kalkman, Janna de Bock en Maps Muste.

Al heel snel werd de welpenhorde te groot en werden er drie hordes gevormd. Horde Unu onder leiding van akela Jan Slort, horde Du met akela Jo Pottinga en Horde Tri met akela Loet Labohm. De nieuwbakken welpenleiders en hun assistentes werden opgeleid door akela Kuiper-Bödeker, werkzaam bij de kinderpolitie. Als onderkomen voor de welpen, verkenners en voortrekkers diende een houten barak aan de Ambonstraat. In de omgeving van de haven werd door de horde Unu met akela Jan Slort en baloe Jopie Bootsman een nieuw troephuis betrokken bij de kegelbaan van de Marineclub aan de Hoofdgracht, ingang Achterstraat.

In het vroege voorjaar werd het eerste naoorlogse Paaskamp op Texel gehouden op het kampeerterrein nabij de kampeerboerderij Californië, niet ver van het dorp De Koog en werd er geslapen in een boerenschuur. De kaderpatrouille Zeehonden maakte zich op voor het eerste naoorlogse nationale patrouillewedstrijden in Ommen en deden hiervoor eerst mee aan de voorwedstrijden van het district, die gehouden werd in de Nollen bij Donkere Duinen. De kaderpatrouille bestond uit acht verkenners met Karl F. Walboom als patrouilleleider, Simon Kuiper als assistent-patrouilleleider en de verkenners waren Arie Abbenes, Wim Kalkman, Ton Pottinga, Johan Steenkist, Cor van der Blom en Jan Schendelaar. De voorwedstrijden werden door de kaderpatrouille glansrijk gewonnen. Voor de nationale patrouillewedstrijden reed de kaderpatrouille per vrachtwagen van het Fort Erfprins naar het Centraal Station in Amsterdam en vandaar ging het met de trein naar het Gilwell's Ada Hoeve in Ommen. Het was een gevarieerd wedstrijdprogramma waaraan 34 patrouilles uit het land deelnamen. Op het zogenaamde Roggeveld bouwde de kaderpatrouille hun keuken met een tafelvuur. De wedstrijden bestonden o.a. uit reddingsoefeningen in de Overijsselse Vecht, spoorzoeken en er werd veel gepionierd. De kaderpatrouille eindigde ongeveer in de middenmoot als nummer 18. De wedstrijden werd gewonnen door de patrouille Springbokken van de Boemeranggroep uit Twente.

1947

De volgende groepen waren onderdeel van afdeling Den Helder:

  • Groep 1 De Jutters
  • Groep 2 Prinses Wilhelmina (X-groep)
  • Groep 4 Jutters Willemsoord
  • Groep 5 Jutters Slingervoet Ramondt
  • Groep 6 Luchtverkenners
  • Groep 7 Breehorn (Wieringen)


Op 3, 4 en 5 mei werden in Schoorl de jaarlijkse districtswedstrijden in kampeervaardigheid gehouden. De winnaar van deze wedstrijd ontving het padvindersinsigne, een grote zilveren lelie, om te bevestigen aan zijn padvindersstok. De winnende patrouille werd uitgeroepen tot "Lelie-patrouille" en werd aangewezen om het district, waartoe zijn groep behoort, te vertegenwoordigen op de Nationale Patrouillewedstrijden, welke gehouden werden met de Pinksterdagen in Ommen. Opgekomen waren elf patrouilles en wel drie uit Hoorn, twee uit Schagen, één van Texel (Oosterend) en vijf uit Den Helder. Hoewel het weer buitengewoon slecht was, bleef de stemming erin bij de padvinders.

Om precies 6 uur zaterdagavond opende de districtscommissaris, de heer E.J.H. Volkmaars, in een korte toespraak tot de padvinders het kamp, waarna de vlag gehesen werd, de padvinderswet opgezegd en werden enige mededelingen gedaan. Het kampterrein was nog kaal en ledig, maar in een uur verrees een kleine tentenstad. Kampkeukens werden afgepaald, tafelvuren opgebouwd en weldra kringelden er rookslierten boven de vuren en werd de melk voor de pap opgezet. Zesenzestig padvinders streden om de Zilveren Lelie. De beoordelaars gingen rond en gaven voor elk onderdeel punten. Gelet werd op de algemene indruk bij aankomst, de manier van opbouw van het kamp, de werkverdeling en er werd geïnspecteerd of het aangewezen stuk grond volkomen benut was. Om half negen opende kampvuurleider, hopman J. Metzelaar, in de zaal van de heer Schuit het onderdeel van zang en theater. Er klinkt het padvinderslied Hoort zegt het Voort en nu en dan daverde de lach door de zaal. Daarna kwam het sein "naar de tenten" en "slapen" en ging de nachtinspectie in. Er werd gecontroleerd of de troep voldoende aandacht aan hun tentmateriaal hadden besteed, zoals het ontspannen van de scheerlijnen.

Op zondagmorgen 7 uur was het koud met veel wind en regen, maar de stemming was goed en er werd gestart met ochtendgymnastiek, aankleden, ontbijt, vlaggenparade, padvinderswet, kamp klaar maken en inspectie. Om 9 uur werd in de schuur van de heer Schuit een voordracht gehouden door oubaas Koning uit Schagen. Het was doodstil in de zaal terwijl in eenvoudige sobere woorden de oubaas vertelde van zijn ervaringen in de gevangenis tijdens de oorlog in Scheveningen aan de hand van het bijbelverhaal over de vervolging van de christenen door Saulus, later als Paulus de grote verdediger van Christus. Hij wees de padvinders op de grote gevaren welke hen bedreigen, zoals zwarte handel en zedeloosheid, maar de padvinders hebben een goed wapen daartegen, zo zij hij, jullie belofte en de padvinderswet. Doorleef die en draag het uit. De bijeenkomst werd afgesloten met het zesde couplet van het Wilhelmus, Mijn schild en mijn betrouwe, zijt Gij o God mijn Heer. Het verdere programma was zodanig samengesteld dat de zondagsrust niet verstoord werd, waardoor het ook mogelijk was dat christelijke groepen konden meedoen.

Op maandag om 8 uur begon het wedstrijdpunt kamp afbreken, terrein opruimen en inspectie. Bij de heer Schuit kwamen de laatste rapportcijfers binnen en de uitslag werd bekend gemaakt. De winnaar was de patrouille van groep 1 De Jutters uit Den Helder met 1699 punten. Als tweede kwam uit de strijd de patrouille van groep 4 't Geuzenvendel uit Hoorn met 1595 1/2 punt en als derde de patrouille van groep 4 De Jutters-Willemsoord uit Den Helder met 1572 punten. De districtscommissaris deelde de Zilveren Lelie uit aan de winnaars en daverde een driewerf "hiep hoy" door de zaal. Voldaan stapten allen weer huiswaarts.

1948

Op zaterdagavond 17 april werd een feestavond gehouden in Casino. De voorzitter van het groepscomité, de heer C. Buter, hield het welkomstwoord, waarbij de spreker in het kort de moeilijkheden onder de aandacht bracht en in dit verband vooral wees op de boosaardige vernielzucht waarmee enkele kleinzielige mensen telkens in hun kampement, Fort Vismarkt, huishouden. Er was al voor de vijfde maal in het clubgebouw ingebroken, maar, merkte de spreker op, de leuze van de padvinder is dat hij fluit onder alle omstandigheden en daarom waren de Jutters vast van plan om in juni hun Juttersburcht officieel in gebruik te nemen. De avond bestond uit toneel en zang en met gitaar en accordeon werden de verschillende nummers opgeluisterd, terwijl zich uit de groep verkenners een complete padvindersband had gevormd. Een bijzondere attractie was nog het vererende bezoek van jonkvrouw Amalia van Sassen, hertogin Van Top tot Teen en barones Zondergeld. Haar optreden en dat van haar teerbeminde Ridder zonder Vrees was vooral voor de oudere verkenners een waar succes. Als laatste punt op de agenda stond een verrassing. De populaire hopman Metzelaar werd uit zijn rommelige kleedkamers gehaald en tezamen met de hopvrouw, mevrouw Metzelaar, namens alle leden van groep 1 werd "de Jutter" gehuldigd. De hopvrouw kreeg een bouquet mooie bloemen, hopman Metzelaar werd verrast met een doos sigaren. Na gemeenschappelijke zang van het padvinderslied en een kleine verloting was de avond ten einde en konden de bewoners van de Juttersburcht met tevredenheid op de avond terugzien. Met behulp van The Musical Ramblers werden de vele zitplaatsen opgeruimd.

Op 1 en 2 mei werd in de Nollen te Callantsoog de jaarlijkse districtswedstrijden gehouden. Padvinders van acht troepen uit het district Den Helder en West-Friesland kampten om de eer van hun troep. De winnaar hiervan werd in de gelegenheid gesteld om naar Ommen te gaan en zich te meten met de beste patrouilles uit het hele land. Door een groot tekort aan leiding bij de padvinderij is men er ditmaal toe overgegaan om het kader-in-opleiding van de diverse groepen naar deze districtswedstrijden te zenden om vooral toch de kwaliteit van het kader zo hoog mogelijk op te voeren. De voortrekkers van de Mafekingstam uit Den Helder vormden een werkpatrouille, zodat de verkenners zich konden bepalen tot hun opgave, welke lang niet mis was, vooral omdat de puntenwaarderingscommissie bestond uit de districtscommissaris, de heer Volkmaars, diens assistent was oubaas Koning uit Schagen en, de man doorkneed in dit werk, hopman Metzelaar. Zaterdagmiddag 4 uur was het appèl te Callantsoog, uniformen werden geïnspecteerd evenals de bagage, waarmee ook de eerste strafpunten vielen. Daarna was het kamp opbouwen, keuken klaar maken en eten koken. Alles werd geproefd en bekeken door de commissie. Om 9 uur was het kampvuur en iedere patrouille hield zijn recreatie, waarbij eigen ideeën het meest op prijs werden gesteld. De verjaardag van Neptunus, schip in nood 1948 waren geslaagde sketches, vooral als men bedenkt dat ze geheel werden geïmproviseerd door padvinders van 14 en 15 jaar. Om half 11 was het lichten uit en werd de kampen voor de nacht in orde gemaakt en toen klonk de taptoe van de hoornblazer van Enkhuizen. Op zondag werden in de ochtend de tenten gelucht en de dekens opgevouwen. Hierna pap koken, gymnastiek, stokbroodbakken, vlagbreken en een werkdienst, waarbij oubaas Koning uit Schagen de padvinders wees op hun hoge ideaal en hun voorhield hoe zich sterk te maken dit ideaal door het verdere leven uit te dragen. Enkele voortrekkers van de Savoyestam uit Schagen hadden een grote oefening uitgestippeld. Spoortekens, seinen, opmerkingsgave, organisatietalent, combinatietalent, dit alle en meer werd van de padvinders geëist en de Schaginezen hadden het hun behoorlijk zwaar gemaakt. De tocht liep van de Nollen naar Callantsoog tot aan het strand, door het mulle zand naar de duinen bij het Zwanenwater en vervolgens langs de weg naar de Schinkelhoek en weer terug naar de Nollen. Een flinke afstand waarvan de route moest worden gevonden aan de hand van kaart en kompas, door middel van seinen en spoortekens. De winnaar werd groep 4 Den Helder de padvinders van hopman Pottinga, terwijl de 2e en 3e plaats ook door Helderse groepen werden bezet, resp. door groep 2 en groep 6 de luchtverkenners.

Op zaterdag 4 september opende de Jutters haar nieuwe groepshoofdkwartier de Juttersburcht. Het was als een paviljoen in een woestijn. Een geheel witgeschilderde burcht, met echte kantelen, die 's avonds scherp afsteken tegen de donkere lucht boven het Marsdiep. Onder de aanwezigen bevonden zich onder meer de vertegenwoordiger van de Commandant der Marine, de luitenant ter zee 1e klasse U.F. van Veen, vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, de wethouders Van Loo, V.d. Vaart en Steenlage, de directeur der Rijkswerf, kolonel Barendregt, de commissaris van het Loodswezen, de heer Van Lieshout en districtscommissaris Volkmaars. De voorzitter van het groepscomité, de heer C. Buter, opende de rij van sprekers en bedankte het gemeentebestuur, de Marine, de Rijkswerf en het Loodswezen voor de vele medewerking, die men van hen had ondervonden. "De opening van deze Jutterburcht", aldus de heer Buter, "moet beschouwd worden als een cadeau van hopman Metzelaar, die zaterdag jl. zijn vijftigste verjaardag vierde". De groepsleider, hopman Metzelaar, verkreeg hierna zelf het woord en vertelde in een geestige speech de lijdensgang met de troephuizen sinds 1911. Het troephuis op het Dijkje was vroeger schitterend, maar deze Jutterburcht is toch wel het summum op troephuizengebied. Mevrouw Metzelaar werd verzocht de boomstam, die het nieuwe troephuis nog afsloot, door te hakken met een nieuwe bijl, geschonken door alle Jutters. Na 3 ferme slagen verklaarde mevrouw Metzelaar de Jutterburcht voor geopend. De Nederlandse vlag en de diverse signaalvlaggen werden gehesen. Luitenant ter zee Van Veen richtte zich speciaal tot de padvinders en beloofde dat de Koninklijke Marine zoveel mogelijk medewerking aan de padvinderij zal verlenen. De voorzitter van het plaatselijk Bestuur de heer Klapmeyer zei onder meer, dat er van de padvinderij veel uitgaat, het is zowel een geestelijke als een lichamelijke versterking. De Afdeling Alkmaar bood een oorkonde met een welpenwet aan, terwijl hopman Moestert namens de katholieke padvinders acht zwaarden overhandigde, met de hoop dat ze niet nodig zouden zijn om de Jutterburcht te verdedigen. Hopman Pottinga sloot de rij van sprekers, waarna groepsleider Metzelaar een dankwoord tot de sprekers richtte en alle families die bloemen hadden gestuurd vriendelijk bedankte. Door een zelf gepionierde poort ging men naar binnen en even verder stond de eerste wegwijzer, waarop alle vertrekken waren vermeld. De leiderskamer, deze keer behangen met foto's en vlaggen, was heel intiem ingericht en zat mooi in de verf. Het Jagershol, het vertrek van de juniorverkenners van Hopman Zegel, is meer ingericht als blokhut. Langs de wanden ruwe houten planken met houten banken. Elke hoek was ingericht volgens het idee van de jongens uit de diverse patrouilles. De welpen, onder de behoedzame leiding van akela Bootsman, bevinden zich in de oude munitiekamer van het fort. Kleine lage stoeltjes met leuke tafeltjes, gemaakt door enige verkenners, in het midden een boomstronk, de raadsrots van de grote wolf, de akela. Boven op de Burcht bevonden zich de patrouillekamers van de diverse seniorverkenners. Al deze kamertjes staan per telefoon met elkaar in contact. De voortrekkers hebben een eigen grote bunker met een wapenzaal en een conversatiezaal, die geheel met kaarsen werden verlicht. Er was nog geen water- en lichtaansluiting. Gedurende dertien maanden is er gewerkt en in die tijd werd al verscheidende malen ingebroken. Als slot van de opening werd 's avonds een kampvuur op de door de voortrekkers gemaakte kampvuurplaats gehouden.

Plaatselijk comité[bewerken | brontekst bewerken]

Het plaatselijk comité van de Nederlandse Padvindersorganisatie (NPO) in Den Helder bestond uit de volgende personen:

  • W.D.H. Baron van Asbeck, Kapt. ter Zee
  • H.M. Beeckman, Notaris
  • A.J. Besseling, Directeur der Ambachtschool en Burgeravondschool
  • C. de Boer, Leeraar der R.H.B.S.
  • A.H. de Carpentier, waarnemend hoofd van school no. 3
  • W. Naudin ten Cate, Kapt. ter Zee
  • C.J.M. Collette, Majoor der Artillerie
  • Dr. B.M. van Dalfsen, Leeraar der R.H.B.S.
  • Dr. D.A. Kerkhoff, Directeur der R.H.B.S.
  • Th.C.W. van Mierlo, Directeur der Zeevaartschool
  • W. van der Molen, Leeraar der R.H.B.S.
  • Dr. G.H. Nord, Officier van Gezondheid
  • H. Nypels, Voorzitter der Winkeliersvereniging
  • J.F. Osten, Luitenant ter Zee 2e kl.
  • H. Schuitema, leeraar der R.H.B.S.
  • Mr. W. de Sitter, Kantonrechter
  • C. Stumphius, Hoofd van school no. 8

Dagelijks bestuur 1911[bewerken | brontekst bewerken]

  • C.J.M. Collette, Voorzitter
  • A.H. de Carpentier, Secretaris
  • H. Schuitema, Penningmeester
  • Dr. G.H. Nord
  • J.F. Osten

Dagelijks bestuur 1923[bewerken | brontekst bewerken]

  • J.W.K. Franssen, voorzitter
  • A. Slingervoet-Ramondt, secretaris-penningmeester
  • F. van Dok
  • W.J.D. Maas
  • Dr. H.F. Minkema
  • J.J. van Trotsenburg
Cookies helpen ons onze services aan te bieden. Door onze services te gebruiken stemt u in met het gebruik van onze cookies.