Eén dag graaf

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken

Onderstaand programma één dag graaf beschrijft een idee voor een opkomst voor kabouters. Het is een verhaal uit de geschiedenis van Andoornborg, een stadje dat zich in Bambilië bevindt.

Verhaal[bewerken]

Jullie weten, dat in Andoornborg een groot kasteel heeft gestaan. Je kunt de ruïnes er nu nog zien. Op dat kasteel woonden vroeger de graven, die over Adoornborg en omgeving regeerden. Van daaruit ging de graaf met zijn gezelschap op jacht en als hij dan met de buit thuis kwam, werd er tot diep in de nacht feest gevierd. Het was dan een vrolijke boel, dat begrijp je! In de geschiedenis zijn dan ook nogal wat vrolijke dingen gebeurd. Eén van die vrolijke dingen is het verhaal van de schoenlapper Karel Janszoon die één dag Graaf van Andoornborg was.

Karel Janszoon leefde ten tijde van graaf Diederik van Touwen; een graaf met hart voor zijn onderdanen en een groot gevoel voor humor. Deze Diederik van Touwen nu ging op een avond, toen hij in een opperbeste stemming was, met een stel vrienden het dorp Andoornborg in om een luchtje te scheppen. Juist toen de klepperman liet horen, dat het net twaalf uren had geslagen, zagen de graaf en zijn vrienden een man in een smal steegje op de grond liggen. Eén van hen herkende hem als Karel Janszoon, de schoenlapper, die erom bekend stond, een erg vrolijk man te zijn, vooral als hij een paar borreltjes op had. Diederik's vrienden probeerden de schoenlapper wakker te krijgen, maar hoe ze ook schudden, hij bleef slapen.

"Die heeft vast en zeker zijn weekloon zitten verdrinken in de herberg en is halfweg naar huis slaapdronken hier beland", sprak de graaf. "Weet je wat, we zullen hem een beter bed geven. We nemen hem mee en leggen hem in mijn bed. Morgen zullen we hem als graaf behandelen. Mensen, wat zal ons dat een pret bezorgen. Diederik's vrienden keken de graaf verbaasd aan. Dat was me een plan! Een schoenlapper een dag voor graaf laten spelen, dat kon wat worden.

Grinnekend van de voorpret namen de mannen Karel op en droegen hem naar het kasteel. Daar trokken dienaren heel voorzichtig Karel's kleren uit en daarvoor in de plaats kwam een prachtig wit nachthemd, witte slaapsokken en een witte slaapmuts met een kwast. Arme Karel Janszoon sliep rustig door en merkte totaal niet, wat er met hem gebeurde. Ook, dat hij in het bed van Graaf Diederik gelegd werd, merkte hij niet.

Pas de volgende morgen kwam er wat beweging in het zo fraai uitgedoste lijf van de schoenlapper. Eerst klonk er wat gegrom uit het grote hemelbed, dan een onbeschaamde geeuw en vervolgens verscheen er een slaperig, witgemutst hoofd boven de dekens uit. Eerst waren Karel's oogjes klein, maar al gauw werden ze groot van verbazing. Wat was dat voor een poespas? Allemaal opgedirkte mensen rond zijn bed, die bogen en zeiden: "Goede morgen, heer graaf. Goed geslapen, heer graaf?" Karel Janszoon wist niet, hoe hij het had en keek verwonderd naar de schare hovelingen, die hun uiterste best deden om niet in lachen uit te barsten, maar ernstig te blijven kijken. Eindelijk kon de schoenlapper weer wat zeggen. "Ik ben de graaf niet. Jullie vergissen je, want ik ben Karel Janszoon, de schoenlapper uit het dorp." "Maar heer graaf, bent u ziek? Voelt u zich wel goed? Schoenlapper! Nee maar, hij heeft dat vast gedroomd", zo klonk het van alle kanten. Hoe Karel ook uit probeerde te leggen, dat hij de graaf echt niet was hij kon de hofhouding niet overtuigen. Alle dienaren hielden stug vol, dat het wel zo was en, zoals altijd, de aanhouder wint. Op het laatst geloofde Karel "zijn" hofhouding en toen hij eenmaal in de met gouddraad bestikte kleren van de graaf geholpen was en de schoenen met de gouden gespen aan zijn voeten had, was hij er zeker van, dat hij de graaf Diederik van Touwen was.

Vrolijk begaf hij zich aan de zijde van Sophia van Tangelen, de vrouw van de echte Diederik, met de hele hofhouding naar de kerk. Na de mis ging het hele gezelschap weer terug naar het kasteel, waar men genoot van een verrukkelijke en overvloedige maaltijd. Het was echter niet alleen feestvieren voor "Graaf Diederik", want er moest ook gewerkt worden. In de toonzaal wachtten hem een paar ontevreden burgers, die rechtsbijstand van de graaf wensten. Iedereen vertelde, waarvoor hij gekomen was en meestal wist Karel Janszoon er nog best een fraai antwoord op te geven.

Je kunt je voorstellen, dat de hovelingen en de echte graaf Diederik het af en toe uitproestten om de rake uitspraken van de schoenlapper. Eén keer kreeg hij het wel erg te kwaad, toen een inwoner van het dorp zijn nood kwam klagen over ene Karel Janszoon, die hem had opgelicht en zijn schulden maar niet betaalde. Hierop sprak "Graaf Diederik" verontwaardigd: "Man, je bent niet goed wijs. Er is geen eerlijker man dan Karel Janszoon. Hij is een uitstekend schoenlapper. Kijk maar eens naar mijn schoenen. Zien die er niet prachtig uit? Hij zal vergeten hebben, je dat geld te betalen. Ik zal je tonen hoeveel vertrouwen ik in hem heb en zijn schulden uit de schatkist laten betalen."

De echte graaf, die wist, hoeveel geld er in de schatkist zat en wat er nog allemaal betaald moest worden, verschoot wel even van kleur, maar ach, dacht hij later, wat was een handje dukaten nou in vergelijking met al de pret, die ze vandaag hadden? En hij kreeg gelijk, want 's avonds werd het een nog vrolijkere boel dan het al was. Er werd een minstreel opgetrommeld en vaten met de heerlijkste wijn werden op bevel van de "graaf" uit de kelders te voorschijn gehaald. Er werd gedanst en gezongen, dat het een lieve lust was, en onze "heer graaf" vermaakte zich uitstekend.

Hij werd hoe langer hoe vrolijker en daagde de mannen om zich heen uit om een wedstrijd met hem aan te gaan. Die wedstrijd zou erom gaan, wie van hen de meeste wijn op kon drinken. De glazen werden gevuld, er werd geklonken en gedronken en de glazen werden weer opnieuw gevuld. En zo ging dat nog een hele tijd door. Karel de schoenlapper was vastbesloten om de wedstrijd te winnen en hij leegde het ene glas na het andere. Maar ja, dat kon natuurlijk niet goed blijven gaan. Zijn oogjes werden al kleiner en roder en af en toe viel zijn hoofd opzij of naar voren en liet hij een glas wijn uit zijn handen vallen.

Na een tijdje lag "heer graaf" met zijn hoofd op de tafel te ronken als een os. Net als de vorige avond was hij met geen stok wakker te krijgen. Hij sliep maar door en trok zich van niets of niemand ook maar iets aan. Met een slapende Karel Janszoon was niet veel pret te beleven en de echte graaf Diederik gaf zijn vrienden opdracht, de schoenlapper de deftige kleren uit te trekken en hem weer in zijn oude plunje te steken. Daarna namen ze hem juichend op de schouders en brachten hem terug naar het steegje, waar ze hem de vorige waar ze hem de vorige avond opgevist hadden.

Op de terugweg naar het kasteel sloegen ze elkaar op de schouders van plezier en thuisgekomen brachten ze nog een dronk uit op Karel Janszoon, die hen een onvergetelijke dag bezorgd had, Graaf Diederik dook dezelfde avond nog in de schatkist om te kijken of er nog wel genoeg geld was om de schulden van de schoenlapper af te betalen. En Karel Janszoon zelf? Wat zal die gedacht hebben, toen hij de volgende morgen op de harde keien van een smal steegje ontwaakte? Hij zal wel verbaasd om zich heen gekeken en aan zijn kleren gevoeld hebben en zien, dat ze toch niet van zijde en fluweel waren. Zie je hem zitten, verbaasd voor zich uitkijkend? "Heb ik dat nou allemaal gedroomd?"

Spellen[bewerken]

Hieronder vind je een aantal spelsuggesties bij het verhaal over de Graaf van Andoornborg.

Op jacht
Graaf Diederick van Touwen gaat op jacht met zijn hofhouding
  • Jagerbal
  • Sluipspel. Een geblinddoekte jager (Kabouter) zit in het midden van een kring. De andere Kabouters proberen ongemerkt achter haar te gaan staan. Als de geblinddoekte Kabouter iemand hoort, wijst ze die Kabouter aan en de aangewezen Kabouter moet dan weer teruggaan.
  • De vos op zijn terrein. Een vos loopt op zijn terrein en heeft een doek met een knoop erin in zijn poot. De Kabouters lopen door zijn terrein en de vos probeert hen na een afgesproken signaal met de doek te raken. De Kabouters die geraakt zijn, gaan de vos helpen. Welke kabouter blijft het langst over? Als variatie op dit spel kunnen we iedereen een doek geven. De Kabouters proberen de vos te tikken als hij uit zijn hol komt.


De schoenlapper
Karel Janszoon de schoenlapper stelt zich voor met het volksdansje "De Schoenlapper"


Verkleedpartij
Karel Janszoon wordt door de dienaren in mooie kleren gestoken. Met behulp van kranten en crêpepapier wordt een aantal Kabouters (bijvoorbeeld uit elk volkje één) door de overige Kabouters als graaf uitgedost. Er kan ook één Karel Janszoon gekozen worden, terwijl de andere Kabouters zich verkleden als diverse leden van de hofhouding. Daarna kan de ontwaak-scène gespeeld worden. Is er voldoende tijd beschikbaar, dan kan ook het hele verhaal ten tonele gevoerd worden. Het leent zich er uitstekend voor.


Karel Janszoon spreekt recht
Ontevreden burgers komen bij de "graaf" klagen over dieven en smokkelaars, die de stad onveilig maken.
Dit spel is een soort smokkelspel. Suggestie voor spelregels staan hieronder:
  • Dieven: In een kring van twee meter doorsnee zit een marktvrouw met haar koopwaar (stukjes hout, steentjes, e.d.). De dieven proberen kruipend iets uit de kring te stelen. Tikt de marktvrouw een dief dan is hij af.
  • Smokkelaars: Eén van de Kabouters is grenswachter en staat met haar rug naar de andere Kabouters. Ze telt tot zeven en de Kabouters mogen dan de grens proberen te naderen. Bij "zeven" draait de grenswachter zich om. De smokkelaar, die dan nog loopt, moet terug naar de startlijn. Slaagt iemand erin, de grens over te komen, dan wordt zij grenswacher.


De Graaf van Andoornborg
Graaf Diederik betaalt de schulden van Karel Janszoon, de schoenlapper


Feest in het Kasteel
Een optreden van een minstreel of van een toneelgroep. De kabouters kunnen hun creativiteit heerlijk botvieren op het uitbeelden van spreekwoorden, (oude) kinderliedjes, (oude) beroepen, hetzij alleen, hetzij samen met de andere kinderen.


Tenslotte kunnen we met z'n allen wakker worden en ons verbazen, net als Karel Janszoon, dat we geen deftige kleren aan hebben, maar onze eigen plunje.


Bron: Overgenomen uit het archief van de Scouting Programma Site, teksten van Roland Masselink, 9 februari 2005, overgenomen uit de Spelmap kabouterleiding, het Landelijk Kabouterteam 1976