Hoe het in Bambilië allemaal begon

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken

Het verhaal Hoe het in Bambilië allemaal begon vertelt over het land Bambilië, het land van de Kabouters. Het is te vinden in de niewe versie van het bamboek. De tekst van het verhaal is hieronder te vinden:

Het verhaal[bewerken]

'Nee hee, niet daarin, dat is de koffer van opa; het moet in deze koffer!' Tante Roos komt met een ruk overeind en kijkt om zich heen. 'Wat een troep heb ik allemaal meegenomen!' moppert ze. Overal hangen, staan en liggen stapels kleren, dozen en schoenen. In een hoek liggen kampeerspullen.

Tante Roos is net terug van de Zuidpool. Ze heeft een nieuwe vakantiereis bedacht voor haar reisbureau. Eigenlijk is ze een ontdekkingsreiziger, want reizen is het fijnste dat er bestaat, zegt ze zelf.

De tweeling kijkt naar haar, is ze boos? Als tante Roos de benauwde gezichten ziet lacht ze alweer: 'Kinders, even uitblazen, ik ga koffie zetten, willen jullie limonade?' Voor de tweeling iets kan zeggen, is ze al weg. Even later horen ze haar roepen: 'Er is niets in huis, ik ga even wat boodschappen doen!'

De tweeling gaat samen op de grote hoge koffer van opa zitten. Tegelijk zeggen ze: 'Ik zou wel eens willen weten wat er in die koffer zit.' Nieuwsgierig springen ze eraf, zwaaien het deksel open, en kijken in de koffer. 'Allemaal oude spullen! Kijk, tijdschriften. Hier een pijp en een tropenhelm met een gat erin!' 'En hier onderop een stuk gekleurde stof, of nee, het is een sjaal.' 'Hé, ik voel iets. Kijk, er zit een stuk papier in gewikkeld! Waar zou dat stuk papier van zijn?' Nieuwsgierig rollen ze de sjaal uit. Voorzichtig vegen ze het stof van het papier. 'Een oude land kaart!' Aandachtig bekijken ze de kaart. Ze zien bomen, rivieren, heuvels en allerlei plaatsnamen. In grote sierlijke letters staat boven aan de kaart de naam van het land: Bambilië. Op de achterkant staan aantekeningen over Bambilië, en ze lezen hardop voor. 'Een land voor kinderen?' 'Als je echt naar Bambilië wilt, kom je er vanzelf!'

Het begin van de reis[bewerken]

Intussen is tante Roos binnen gekomen met drinken en koekjes. Ze ziet de tweeling zitten met de sjaal en de kaart. 'Ha, de spullen van opa,' lacht ze. 'Ik heb op al mijn reizen dat geheimzinnige Bambilië nog nooit gevonden! Jullie mogen de sjaal en de kaart wel hebben.' Ze draait zich om en zegt dan: 'Weet je wat? Gaan jullie mee fietsen? Het weer is veel te mooi om op zolder te zitten.' Zo is tante Roos, ze doet wat er in haar opkomt. De tweeling vindt het een goed idee: 'En dan nemen we de kaart mee!' De tweeling stopt direct de kaart en de sjaal in de rugzak. 'Doe de koekjes er ook maar bij,' zegt tante Roos, 'en in de keuken liggen nog drie appels.' Ze roffelen de trappen af.

'Waar gaan we heen?' vraagt de tweeling. 'Laten we op het eerste kruispunt rechtsaf gaan en op het volgende linksaf, dan weer rechts, dan weer links enzovoort. Dan zien we wel waar we uitkomen.' De tweeling ziet bijna blauw van het lachen. Dat zal wel een mooie fietstocht worden. Na een uurtje fietsen komen ze in een bos. Ze moeten achter elkaar rijden omdat het pad te smal is om naast elkaar te blijven fietsen. Tante Roos fietst voorop en gaat nog steeds om beurten rechts- en linksaf. Bij een open plek stopt ze pardoes. 'Tijd voor de vitamines!' roept ze, en ploft neer op het mos. Ze eten hun appel en luisteren naar de vogels. In de verte roept een koekoek. Tante Roos springt alweer op: 'Kom op, we fietsen die

kant op, misschien vinden we die koekoek nog.' Maar dat valt niet mee. De paadjes worden steeds smaller, en het geluid van de koekoek klinkt nog steeds even ver.

Na een hele tijd komen ze uit op een smalle weg. 'Ik geloof dat we een beetje verdwaald zijn,' zegt tante Roos. Ze kijken de weg af. Aan het eind staat een huisje. Midden op de weg staat een slagboom met een groot bord erop. Ze fietsen erheen en lezen wat er op het bord staat: "Grenswacht Snorrega".

Snorrega???' roept tante Roos, 'daar heb ik nog nooit van gehoord!' De tweeling kijkt elkaar eens aan. Ze roepen tegelijk: 'Snorrega, hé, dat staat ook op de kaart van opa, en....' 'Goeiedag!' zegt iemand. Ze schrikken alle drie. Ongemerkt is er een man uit het huisje gekomen. 'Het gebeurt niet zo vaak dat er zomaar mensen aan onze grenzen komen. Hoe heeft u onze grensplaats gevonden?' 'We zochten een koekoek,' zegt tante Roos, 'maar eh, kunt u ons ook vertellen waar we zijn?' 'Natuurlijk,' zegt de grenswachter, 'dit is de grens van Bambilië, het land waar de Kabouters van Scouting Nederland elke week avonturen beleven.' De tweeling knijpt elkaar: 'Bambilië, we hebben Bambilië gevonden!' Vlug halen ze de sjaal en de kaart uit de rugzak en laten die aan de grenswachter zien. Voor ze iets kunnen zeggen, roept hij verbaasd: 'Die zijn van de verhalenschrijver met de gekleurde das, die lang geleden in Bambilië op reis is geweest!' 'Dat was opa' stottert de tweeling met rode hoofden, 'en mogen wij, eh, nu willen wij.....'

Ze kijken even naar tante Roos, die heftig ja staat te knikken. 'Ook eens in Bambilië rondkijken?' vult de grenswachter lachend aan. 'Dat kan. Maar, willen jullie iedereen die je op je weg tegenkomt helpen? En zorgen jullie goed voor de natuur?' Ze praten allemaal door elkaar: 'Ja, natuurlijk doen we dat!' Dan draait de grenswachter de slagboom omhoog. Het avontuur in Bambilië kan beginnen.....

De onbekende heuvels[bewerken]

Tante Roos en de tweeling hebben onderweg Dorinka ontmoet. Dorinka is een hele aardige, oude, wijze vrouw. Ze weet ontzettend veel van Bambilië en ze kent alle soorten kruiden. Dorinka zei dat ze op zoek moesten gaan naar het oude pad. Dat pad loopt naar de Griezelige Grotten. Tante Roos besluit dat ze dat maar eens moesten doen.

De hele morgen sjouwen ze nu al in de Onbekende Heuvels. Ze nemen even pauze en gaan in de zon zitten uit te rusten. Dat geheimzinnige pad hebben ze nog steeds niet gevonden. Hé, daar beweegt iets. De tweeling blijft stil zitten. 'Tante Roos, heb je dat gezien?' fluisteren ze. Maar tante Roos slaapt. De tweeling is muisstil. Even verderop in het lange gras beweegt het alweer flink. Nu horen ze ook geluiden: het lijkt net alsof er tikkertje wordt gespeeld! Met gebaren maakt de tweeling elkaar iets duidelijk. Voorzichtig schuiven ze er heen op hun buik. Ze buigen het lange gras opzij. Dan zien ze een hele groep kleine wezentjes die hen geschrokken aanstaart. Snel vluchten de kleine figuurtjes alle kanten op. Alleen één blijft er dapper staan en zwaait met een grasspriet.

'Hallo, wij zijn vrienden, wij doen jullie geen kwaad hoor,' zegt de tweeling. 'En wie zijn jullie?' Het dappere figuurtje laat de grasspriet zakken en kijkt de tweeling met grote ogen aan. 'Wij zijn aardkinderen,' zegt ze dan, 'en dit is ons speeluurtje buiten de grot. We moeten hier spelen totdat aardmangids Abeel zijn middagdutje heeft gedaan!'

'De grot?' De tweeling spitst de oren. 'Wonen jullie soms in de Griezelige Grotten?' Het aardkind schudt haar hoofd. 'Nee, daar!' zegt ze, en wijst ergens achter zich. lntussen zijn de andere aardkinderen ook te voorschijn gekomen. Nieuwsgierig kijken ze de tweeling aan. 'Zijn jullie reuzen?' vraagt een ander aardkind. De tweeling moet een beetje lachen. 'Nee hoor, wij zijn ook kinderen, alleen veel groter,' zeggen ze spijtig. 'Kunnen jullie ons ook kleiner maken? Dat kunnen jullie toch met een knagersteen? Dan kunnen we met jullie meespelen.' 'Het spijt ons, maar dat lukt niet,' zegt het aardkind. De andere aardkinderen kijken verrast op. 'Hoe weten jullie van het geheim van de knagersteen?' vraagt het aardkind. 'Dorinka heeft ons verteld dat de knagersteen een hele bijzondere steen is. Ze vertelde ons dat de ene kant van de steen groter maakt en de andere kant kleiner. Je kunt alleen veranderd worden als je zelf ook een soort steen hebt. En je moet er ook bij zingen. Dan ben je ineens groot of klein.

'Het is toch wel een gek verhaal hoor,' zegt de tweeling. 'Maar hoezijn jullie Dorinka dan tegengekomen?' vraagt het aardkind. 'We hebben met tante Roos al heel veel van Bambilië gezien. 'Vertellen! Vertellen!' bedelen de aardkinderen. De tweeling kijkt achterom naar tante Roos. Die ligt nog steeds lekker in de zon te slapen. 'Goed! Maar we liggen nog steeds op onze buik,' zegt de tweeling. 'Om niet per ongeluk op jullie te gaan zitten moeten we even iets doen.' Ze peuteren de sjaal te voorschijn en leggen hem in het gras. 'Als jullie nu allemaal op de sjaal gaan zitten, dan zien we goed waar jullie zijn.' Alle aardkinderen ploffen op de sjaal neer. De tweeling gaat zitten en vertelt.


'Kennen jullie Dorinka, de oude wijze vrouw?' Natuurlijk, knikken de aardkinderen blij. 'Wel, we zijn bij haar op bezoek geweest. Ze woont in een dorp zonder naam. We hielpen haar kruiden zoeken aan de rand van de Warbossen. En toen vonden we een gewonde warbol, zo'n pluizig beest.'

'Hu, een warbol,' rillen de aardkinderen en ze kruipen dichter bij elkaar. 'Luister nou,' zegt de tweeling. 'Warbollen zien er wel woest uit, maar ze zijn heel vriendelijk! We hebben de warbol snel naar Dorinka's huisje gebracht. We hebben zachte kruidenzalf op de voeten van de warbol gesmeerd. Toen de warbol een beetje was uitgerust, zei ze dat ze zich grote zorgen maakte. Ze vertelde dat er veel nieuwe warbollen in de Warbossen zijn komen wonen:

gele, groene, blauwe, paarse, rode en oranje. Het is best een leuk gezicht, al die kleuren van de regenboog. En elke warbol heeft zijn eigen taaltje! Eén grote Bambiliaanse spraakverwarring. Kleine warbollen hebben vaak ruzie, omdat ze elkaar niet verstaan. Wij wisten niet direct een oplossing. Dorinka ook niet.

Maar toen dachten we aan onze eerste dag in Bambilië. Hoe we in Snorrega de gebruiken en taal van het land hadden geleerd. En opeens kregen we een idee: het Bambiliaans-geheimschrift! Dat was de oplossing. Kennen jullie het?' De aardkinderen schudden van nee. 'Nou, iedere letter heeft een eigen tekeningetje. Iedereen kan tekenen, en zo kun je elkaar begrijpen. Ook als je een andere taal spreekt.' 'En de warbol?' vragen de aardkinderen. 'Die vond het een geweldig idee en de warbol-kinderen zouden zo'n geheimschrift reuze spannend vinden. De grote warbollen leren het vanzelf aan hun kinderen. De warbol wilde onmiddellijk terug. Samen met Dorinka en tante Roos hebben wij haar naar de rand van het Warbos gebracht. Ze zwaaide nog even en rolde toen meteen vaartje de warrige struiken in,' besluit de tweeling het verhaal.

'En hoe gaat het nu met de warbollen?' vraagt een aardkind. 'We hebben van Tikan de nar gehoord dat er geen ruzie meer is in de Warbossen! Tikan is een heel goede vriend van Dorinka. We hebben hem gezien in Andoornborg, in de verwilderde tuinen van het kasteel,' antwoordt de tweeling. 'Hoera!!' roepen de aardkinderen heel hard.


Tante Roos schrikt wakker van het gejuich en kijkt rond. Ha, daar is de tweeling. Zitten ze met elkaar te smoezen? Tante Roos is uitgerust en pakt het schrijfblok. Vandaag is het haar beurt om de belevenissen van van die dag op te schrijven en te illustreren. Soms staan er kleine tekeningetjes bij. Ze bladert nog eens terug.

'Tante Roos, ga je mee?' roept de tweeling. 'De aardkinderen weten waar de Griezelige Grotten zijn.' De aardkinderen? Tante Roos holt naar de tweeling. Wat gaan we nu weer beleven? Ze is er met haar gedachten even niet bij. Ze merkt niet dat het schrijfblok in een nauwe rotsspleet valt. En ze hoort ook niet: 'Au!'

De aardkinderen vinden het spannend om de tweeling en tante Roos naar de grotten te brengen. Ze vertellen dat ze eigenlijk niet meer in de grotten mogen spelen. Je hoort er hele vreemde geluiden en je kunt er gemakkelijk verdwalen. De aardkinderen houden de sjaal vast. Als een kleurige pijl lopen ze voorop. Na een fikse klauterpartij staan ze stil voor een grotopening. Tante Roos weet raad. Uit haar zak haalt ze een klosje garen en bindt de draad aan een steen. 'Ziezo,' zegt ze, 'als we het klosje nu afwikkelen kunnen we de uitgang altijd terugvinden.'

Voorzichtig lopen ze de grot in. Het is erg donker, maar de lucht is fris. Achter in de grot beklimmen ze een soort trap. En daar horen ze het geluid. De aardkinderen bibberen van angst en proberen zich te verstoppen. De tweeling staat al boven aan de trap en gluurt over de rand. Ze zien nog een grot. Aan de wanden hangen allemaal glimwormpjes. Bij dat lichtschijnsel zien ze een monstertje. Het doet vreselijk z'n best om te dansen en te trommelen. Zijn lange dikke vacht zit echter steeds in de weg. Eerst moeten ze er een beetje om grinniken, maar dan krijgt de tweeling medelijden. Snel laten ze zich naar beneden glijden. Ook de aardkinderen durven te voorschijn te komen.

'Hé, wie zijn jullie? Wat komen jullie doen?' Het monster is heel verbaasd. 'We willen je alleen maar helpen,' zegt de tweeling. Handig maken ze aan elke kant een vlecht in de dikke vacht. Het monster begint direct weer te dansen. 'Pas op!' roept de tweeling verschrikt, 'je trapt op de aardkinderen.' Gelukkig gaat het nog net goed. Het monster hurkt en kijkt de aardkinderen aan. 'Het spijt me,' bromt hij, 'ik zag jullie niet. Maar ik weet er wel wat op.' Het monster fluistert even met de glimwormpjes aan de wand. Even later dansen alle aardkinderen rond met een glimwormpje op hun hoofd! Daarna nemen ze afscheid van het monster en de glimwormpjes. Samen hebben ze het geheim van de Griezelige Grotten opgelost.

Door het garenklosje van tante Roos weer op te winden komen ze snel weer terug bij de ingang. De aardkinderen schrikken, want de zon is al bijna weg. Hoogste tijd om naar huis te gaan. 'Dag hoor!' roepen ze, en de hele groep holt weg. En de tweeling en tante Roos? Die moeten ook naar huis gaan, want alleen wie in Bambilië geboren is, mag er blijven wonen. 'Maar we gaan vast nog wel eens naar Bambilië!' zegt de tweeling. 'Natuurlijk!' zegt tante Roos, en daar gaan ze. Ze vergeten te kijken of ze spullen op de rustplaats hebben laten liggen.

'Au!'Abeel schrikt wakker. Wat valt daar nu op z'n hoofd? Wat gebeurt er? Langzaam dwarrelen allemaal velletjes papier om hem heen op de grond. Abeel kijkt er verbaasd naar. Zuchtend verzamelt hij alle blaadjes. Wat moet hij nu met de blaadjes doen? Waar komen ze toch vandaan? En wie heeft er op de blaadjes geschreven en getekend? Hij krijgt geen antwoorden op zijn vragen. Hij loopt naar het speelplein, maar kan de aardkinderen niet vinden.

Hier gebeuren vreemde dingen, denkt Abeel. Nu hoort hij de aardkinderen. Ze roepen en zingen vrolijk. Er is iets gebeurd, dat kan niet anders. Daar komen de aardkinderen aan. Waar zouden ze geweest zijn?

De aardkinderen verfellen door elkaar dat ze in de grotten zijn geweest. 'Maar we hadden toch afgesproken dat dat niet mocht!' zegt Abeel een beetje boos. 'En hoe hebben jullie de weg terug kunnen vinden?' 'Tante Roos en de tweeling hebben ons daarbij geholpen.' 'Wie zijn dat nu weer?' vraagt Abeel verbaasd.' Dat zijn mensen die door Bambilië reizen,' vertelt een aardkind. Dan vertelt Abeel de aardkinderen wat hem net is overkomen. Hij laat de mooie blaadjes zien. 'Misschien zijn de blaadjes wel van die mensenkinderen,' merkt Abeel op. 'Laten we ze maar terug brengen.' 'Dat heeft geen zin,' zegt een aardkind. 'Ze zijn al terug naar hun huis gegaan. Laten we hun spullen maar naar Dorinka brengen, of naar Tikan. Misschien weten zij waar tante Roos en de tweeling wonen.' 'We kunnen de spullen beter aan Dorinka geven, want zij reist meer door Bambilië dan Tikan. De kans is groter dat zij de tweeling en hun tante tegenkomt,' besluit Abeel.

Zo is het gebeurd. Dorinka heeft alles bij tante Roos terug bezorgd. Van die belevenissen, aantekeningen en tekeningen is dit Bamboek gemaakt. Op de volgende bladzijden kun je lezen wat tante Roos en de tweeling in Bambilië hebben gezien, gelezen en gehoord.

bron[bewerken]

Nieuwe Bamboek