Kralingsche Troep 10

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken

De Kralingsche Troep 10 is een scoutinggroep in de Rotterdamse wijk Kralingen. De groep draagt een oranje das.

Geschiedenis[bewerken]

Toen de groep in april 1994 een nieuw groepshuis kreeg, heeft men naar aanleiding van de officiële opening ervan, de geschiedenis van de groep opgeschreven in het onderstaande verhaal.

Het ontstaan van de oranje das[bewerken]

Toen een stel avontuurlijke jongens, geleid door Jan Pieter Winkler Prins, na enige jaren met elkaar opgetrokken te hebben besloot om zich aan te sluiten bij de toenmalige Padvinderij werd de basis gelegd voor de huidige Scoutinggroep de Kralingsche Troep, Groep X. In hun clubhuis tegenover de kaneelmolen aan de Korte-Kade in Kralingen vonden zij hun leider Jan Pieter Winkler Prins bereid hun Hopman te worden. Deze eerste Hopman van de Kralingsche Troep (Groep X) liet de groep op 17 januari 1918 inschrijven bij het Nationaal Hoofdkwartier van De Nederlandse Padvinders in Den Haag.

Op 31 augustus 1918 werd voor het oude Stadhuis aan de Botersloot een defilé gehouden (31 augustus was immers de verjaardag van de toenmalige Koningin Wilhelmina). De jongens van de Kralingsche Troep werden aangewezen om een vaandelwacht te vormen. Zij kregen tijdelijk een oranje das, speciaal voor deze gelegenheid. Op 27 november 1918 kwam de gehele Koninklijke familie op bezoek in de stad Rotterdam. De verkenners van de Kralingsche Troep moesten ter gelegenheid hiervan een erewacht vormen. Er werd een vergunning gevraagd aan het Hoofdkwartier in Den Haag of zij de oranje das mochten behouden. Er werd toestemming gegeven, en sindsdien dragen de leden van de Kralingsche Troep geen geblokte das maar een effen oranje das. In 1937 (het jaar dat de wereldjamboree voor het eerst in Nederland werd gehouden) overleed Hopman Winkler Prins, de oprichter van de Kralingsche Troep.

Tussen twee wereldoorlogen[bewerken]

De eerste bijeenkomsten van de groep werden gehouden in het clubhuis tegenover de kaneelmolen aan de Korte-Kade in Kralingen. Toen het clubhuis aan de Korte-kade niet meer gebruikt kon worden, hebben de jongens "rondgezworven". Bijeenkomsten werden gehouden bij de jongens thuis, in de kelder of op zolder of in een tuinhuisje. Dit ging zo door tot 1921, toen mochten zij, dankzij mr. dr. K.P. van der Madele een ruimte in een blokhut gebruiken. Deze blokhut stond op het landgoed van de familie Van Hoey Smith aan de Lage Honingerdijk. De blokhut werd ook gebruikt door het Kralingsche Volkshuis. Dit gaf enige moeilijkheden zodat men in 1928 overging naar de touwfabriek aan de 's-Gravenweg, waar men tot 1930 bleef. In 1931 hield men "opkomst" in gebouw Onesimus, verder nog aan de Kralingsche Plaslaan en vervolgens in een eigen Groepshuis (2 juli 1932), dat echter reeds met Pasen 1933 afbranden. Op 29 september 1934 werd het tweede groepshuis geopend. Het houten groepshuis “Cappadocië" (1) stond aan de Kralingseweg 216 en zou tot 1971 dienstdoen als clubgebouw.

Scouting in oorlogstijd[bewerken]

Over de Scoutingbeweging tijdens de oorlogsjaren is niet veel gepubliceerd, terwijl Scouts toch een niet onbelangrijke rol hebben gespeeld. Scoutinglid Piet J. Kroonenberg heeft een artikel geschreven over de scouting in deze periode. De scoutingbeweging kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog in aanvaring met de nazi’s om de reden dat zij een internationale beweging was en door een van de grondbeginselen die de jongens en meisjes van het begin af aan werd voorgehouden: 'Een Padvinder (Scout) is een vriend voor allen en een broeder/zuster voor alle anders Scouts, onverschillig de nationaliteit, de huidskleur, de taal, het ras of de godsdienst.' Het zal duidelijk zijn dat deze 'antiracistische' en ook 'anti-nationalistische' inhoud de scouting in meerdere landen in moeilijkheden heeft gebracht. Stelt u voor dat 'Arische' jongeren (het Arische ras was volgens de Nationaal-Socialisten (Nazi's) de Germaan met blond haar en blauwe ogen) Joodse, Slavische zwarte of anders gekleurde jongens en meisjes als hun gelijken, ja zelfs als hun broeders/zusters, zouden aanvaarden. En dat deden toch ook de Duitse padvinders en padvindsters van vóór de Hitlertijd. Wat de nazi's ook tegen hadden op Scouting was het 'internationale', waardoor het 'nationalisme' beslist niet werd aangemoedigd of bevorderd en bovendien was Scouting een organisatie die wel 'spelkleding' droeg doch ondanks dit 'uniform' beslist geen militair karakter had en dat was voor de nazi's natuurlijk ook totaal onaanvaardbaar. De nazi's probeerden nog de scouts van gedachten te doen veranderen en naar hun kant te doen overlopen, doch toen dit niet bleek te werken werd het Duitse Scouting, bijna onmiddellijk na de machtsovername door Hitler, verboden en vervolgd. Vele leiders werden gearresteerd en moesten een periode doorbrengen in concentratiekampen. Op het illegaal voortzetten van het werk stonden zware straffen, doch niettemin bleven vele Duitse scouts contacten onderhouden, onderling zowel als met de buitenlandse organisaties . Velen hebben dit met de dood moeten bekopen (o.a. de leden van de verzetsgroep 'Die Weisse Rose' kwamen uit het padvindersmilieu). Na de Duitse inval in mei 1940 bleven de Nederlandse padvind(st)er verenigingen zo goed als het ging verder functioneren. Activiteiten buiten waren nagenoeg niet mogelijk. Daar de Nederlanders als goede Germanen werden beschouwd, waren de nazi's aanvankelijk van mening dat de Nederlanders al snel hun kant zouden kiezen. De aanvankelijke houding was hierop gericht en zo werd ook het Nederlandse Scouting in het begin met rust gelaten. Van de zijde van de Nationale Jeugdstorm van de NSB werd zelfs voorgesteld dat zowel zijzelf als de Nederlandse Scouting organisaties zich zouden opheffen om dan samen een nieuwe nationale jeugdbeweging te vormen, uiteraard op nationaal-socialistische leest geschoeid. Toen echter al snel bleek dat de Nederlandse Scouting organisaties van deze 'liefdesverklaring' niets wilden weten en er geen animo was, werden zij op 2 april 1941 alsnog verboden, onder inbeslagname van alle -ook persoonlijke- eigendommen, die ter beschikking werden gesteld van de Nationale Jeugdstorm en de Hitler Jugend. Uniformen en materialen moesten worden ingeleverd. Hoofdbestuursleden werden gearresteerd en geïnterneerd. Tijdens de oorlogsjaren (1940-1945) is de Kralingsche Troep wel blijven bestaan, zij het dat de oranje (kleur van het Nederlands koningshuis) das vervangen diende te worden door een das met een geel front en een rode ster, naar het wapen van Kralingen. Na het verbod in april 1941 waren openbare bijeenkomsten niet meer mogelijk. Met de enigszins provocerende oranje das hebben de leden van de Kralingsche Troep zich overigens nog wel tot 1943 getoond.

Kralingsche Troep in oorlogstijd[bewerken]

Ondanks de oorlog is er in 1940 een zomerkamp geweest in Hoenderloo. Op 1 april 1941 werd de scouting in Nederland verboden, onder inbeslagname van alle -ook persoonlijke- eigendommen, die ter beschikking werden gesteld van de Nationale Jeugdstorm en de Hitler Jugend. Uniformen en materialen moesten worden ingeleverd. Hoofdbestuursleden werden gearresteerd en geïnterneerd, groepsleider van de KT Hopman Herman E. Mailette de Buy Wenniger zat toen al in een Amsterdamse gevangenis, later in de kerkers van het Oranje Hotel in Scheveningen.

Akela Wirtz en vaandrig Stakenburg werden in de lente van 1943 op Staverden vastgezet. KT-leden Gerard Bast en Jan van Zwieten stapten met de automatische stencilmachine van de KT de illegaliteit in en construeerden een telefooncentrale midden in de stad, waarmee zij actief aan het verzet deelnamen. In alle door de nazi's bezette gebieden was het, als de geallieerde troepen de bevrijding brachten, opvallend dat, soms nog voor de troepen waren gearriveerd, er twee geüniformeerde formaties op straat verschenen, t.w. de Binnenlandse Strijdkrachten en de padvinders. Waaruit bleek dat het de nazi's niet was gelukt Scouting uit te roeien en haar idealen de nek om te draaien. Op het moment van de Bevrijding was men gereed om weer volop aan de slag te gaan en er was genoeg te doen, ook ten behoeve van vluchtelingen en terugkerenden.

De Padvinders postdienst[bewerken]

De Padvinders postdienst was een onderdeel van de Jeugdhulp Rotterdam. In oktober 1944 werd door een aantal leiders van de De Nederlands(ch)e Padvinders district Rotterdam besloten voorbereidingen te treffen voor een "Padvinders hulpdienst". Deze dienst zou de werkzaamheden aanvangen, zodra daartoe de mogelijkheid bestond, d.w.z. zodra aan geallieerde zijde kon worden opgetreden. Met deze afdeling van de hulpactie werd begonnen op 10 mei 1945. De eerste dagen was deze dienst nog niet georganiseerd maar werden er toch al honderden brieven ontvangen.

Op 14 mei heeft deze dienst zich zo georganiseerd, dat de binnenkomende post werd gestempeld met aparte stempels in het groen en violet. Waren de aantallen poststukken voor de eerste dagen nog gering, het aantal behandelde stukken liep op van 900 poststukken op 10 mei tot 9265 stukken op 18 mei. De stadspost in Rotterdam werd op 17 mei stilgelegd, aangezien de posterijen vanaf die datum eenmaal per dag bestellingen gingen verrichten. De padvinders postdienst werd op 25 mei 1945 gestaakt, aangezien de posterijen toen weer in geheel Nederland normaal functioneerden.

Op 29 maart 1946 worden 32 Prins-Bernhard-dassen aan de groep uitgereikt aan de pioniers van de Jeugdhulp uit de bevrijdingsdagen van 1945.

De herrijzing na de oorlog (1946)[bewerken]

Op 12 mei 1945 deden KT-ers met oranje das mee aan het defilé op de Coolsingel ter ere van de herinstallatie van Burgemeester P.J. Oud. Op woensdagavond 16 mei 1945 kwam de groep weer voor het eerste bijeen op het groepshuis Cappadocie. Op 30 juni 1945 werden 75 nieuwe verkenners door de Hopman Herman E. Mailette de Buy Wenniger geïnstalleerd.

De Groep floreerde. In de zomer van 1945 had de KT meer dan 100 verkenners verdeeld in twee vendels (Rood en wit) van elk 5 patrouilles. De Voortrekkersstam (17+) bestond uit 22 man. Het eerste zomerkamp (2-3 maanden na de oorlog) ging naar Baarle-Nassau. Dit was voor de meesten hun eerste kamp en veelal ook de eerste keer van huis. Tenten waren er nauwelijks en het eten nog op de bon. Ze werden vervoerd door legervrachtwagens en hadden de beschikking over legertenten. Naast de groepleider hopman H.E. Mailette de Buy Wenniger waren er nog 11 vaandrigs, waaronder Piet Bruinzeel, J. Metzlar en A.J. Teychiné Stakenburg. In 1946 werd de troep in 3 vendels (Rood, wit en blauw) van elk 4 patrouilles opgesplitst. De Welpenhorde kwam na het vertrek van akela Breetveld onder leiding van akela Wirtz. De horde was gesplitst in: Waingoenga en Sionee-horde, ieder met 3 nesten van elk 6 welpen. Op 30 maart 1946, Wennigerdag, wordt het tienjarig jubileum van groepsleider en troepleider hopman H.E. Mailette de Buy Wenniger uitbundig gevierd.

De 6e Wereld-Vredes-Jamboree (1947) Molsson, Frankrijk[bewerken]

Wat Baden-Powell nooit had kunnen bevroeden was dat de wereld zo kort na de Jamboree in Vogelenzang zou worden opgeschrikt door een nieuwe wereldoorlog. Gelukkig bleek de veerkracht van de scouts sterker dan de verliezen die in de oorlog waren geleden. Direct na de oorlog waren er al plannen voor een wereldjamboree in Frankrijk. Frankrijk, net bevrijd van de bezetter, nodigde iedereen uit voor de Jamboree van de Vrede. Aan de oevers van de Seine streken 25.000 scouts neer uit 70 verschillende landen.

In mei 1947 neemt vaandrig Gerard Bast, nu als hopman de troep der verkenners over. Van 7 tot en met 21 augustus 1947 verbleven 13 leden van de KT in Frankrijk. Kosten voor de Jamboree bedroegen het voor die tijd enorme bedrag van ƒ150,- per persoon.

Begin jaren 50[bewerken]

Na Bast nam mr. J. Metzlar (1948-1958) de leiding van de groep en de verkennerstroep over. In 1948 vond een waardige herdenking van het zesde lustrum plaats. Vele oud-leden kwamen bijeen in de Kralingsche herberg “In den Rust Wat”. In 1952 werd voor het eerste geld ingezameld volgens de Engelse succesformule: Bob-A-Job, hier onder de naam "heitje voor een karweitje". De actie werd in de paasvakantie gevoerd en was meteen een daverend succes. Oud-Hopman H.E. Mailette de Buy Wenniger neemt begin jaren 50 de leiding van de verkennerstroep weer op zich. mr. J. Metzlar blijft tot 1958 groepsleider van de gehele KT.

Eind jaren 50[bewerken]

In 1955 breekt een moeilijke tijd voor de verkennerstroep aan. Op 12 februari van dat jaar treedt Hopman H.E. Mailette de Buy Wenniger terug. De Troep komt onder leiding van Vaandrig E. Bodegom en later Vaandrig Piet Bruinzeel. Eind 1955 wordt de verkennertroep zelfs opgeheven bij gebrek aan voldoende leiding. Pas met de komst van Hopman A.J. Louwers (1958-1966) op 23 april 1958 breekt er voor de verkenners een nieuwe tijd aan. Hopman Louwers neemt dat jaar ook het Groepsleiderschap over van mr. J. Metzlar.

De padvindershoed werd in 1957 bij de NPV vervangen door een zwarte baret. De KT gaat hierin niet mee. Tijdens de bestuursvergadering van 26 november 1959 werd door het stichtingsbestuur, sedert 1958 onder voorzitterschap van Oubaas/oud-Hopman H.E. Mailette de Buy Wenniger (1958-1970), een Groepscommissie ingesteld, zijnde de voorloper van het groepsbestuur. De leden van het stichtingsbestuur, die ouders waren van Kralingsche Troepleden, vormen met de groepsleider deze commissie (4+1).

Begin jaren 60[bewerken]

In 1962 wordt het scoutingterrein aan de Kralingseweg 216 gehalveerd (van 4150m2 tot 2100m2) door de aanleg van de boszoom. De huur van het sedert de jaren 1930 van de Nederlandse Spoorwegen gehuurde terrein blijft hetzelfde, fl. 100,00 per jaar. Op 1 september 1964 wordt de leiding van de Troep (verkenners) door Hopman Louwers overgedragen aan de legendarische Piet Bruinzeel, tot dan vaandrig van de verkenners (2e man 1949 -1964/1966-1972) Op 17 september 1965 overleed Oubaas mr J.C. Metzlar, oud hopman en groepsleider (1948-1959) en later voortrekkersleider (oudere jongens) van de Stam der Satrapen en lid van de stichting (1959-1964).

Eind jaren 60[bewerken]

Bij het vertrek van Louwers als Groepsleider in november 1966 wordt Hopman Bruinzeel gepasseerd voor de oud-akela A. Sanders (1966-1970). Sanders, sedert 9 september 1939 verbonden met de KT, neemt ook de leiding over de verkennerstroep. Bij het aantreden van Hopman Sanders als Groepsleider worden de hervormingen uit de jaren 60 weer teruggedraaid: Het uniform wordt vanaf dat moment weer hoed en korte broek. De Baret en de lange broek gaan in de ban. Al in december 1967 komen de uniformvoorschriften weer ter discussie, wanneer Akela Hans van der Ploeg de discussie voor de welpen weer start. Men komt niet uit de discussie en ouders worden daarna om hun mening gevraagd. De uitkomst is een compromis: lange broek de gehele winter tot 23 april. Als uitzondering geldt dat bij een temperatuur van min 5 graden Celsius, altijd een lange broek gedragen mag worden…

1968, vijftig jaar KT[bewerken]

Op 18 mei 1968 vierde Groep haar 50-jarig bestaan. Het jubileum werd gevierd in de Rotterdamse Manege, het groepsterrein Cappadocie en afsluitend op de ms. Jan Backx waar maar liefst 130 (van de 950) oud-leden elkaar na vele jaren weer terugzagen. Zij zaten over de gehele wereld verspreid. Op 28 september 1968 werd het feestjaar afgesloten met een boottocht naar slot Loevesteyn waar voor 63 leden een feestbanket werd geserveerd. De avond werd afgesloten met de ouders in het nieuwe Scoutcentrum in Capelle a.d. IJssel. Op 14 september 1968 wordt de Stam (17+) weer opgestart op de KT, thans als een gemengde stam met 8 leden (voortrekkers).

1969[bewerken]

Op zaterdag 26 april 1969 reikt Districtscommissaris Schipper De Vries aan Piet Bruinzeel de hoogste onderscheiding binnen de NPV, de Gouden Jacobsstaf uit. Hij krijgt deze onderscheiding vanwege “het zich gedurende een groot aantal jaren zeer verdienstelijk maken voor de padvindersbeweging”. Het officiële gedeelte werd afgesloten met het door de Horde aangeboden model, dat een verkenner van de KT voorstelde.

In september 1969 is de discussie baret of hoed weer opgelaaid. Bij ongeveer 95% van de toenmalige padvindersgroepen was de verandering een feit. De KT blijft ook na een flinke discussie in meerderheid voor de hoed.

10 januari 1970 eerste boerenkoolopkomst in het nieuwe jaar: Bij de padvindsters (van de Wetrogroep???) is het traditie dat er op de eerste opkomst in het nieuwe jaar een boerenkoolfuif gehouden wordt en aangezien Baghera en Mang (welpenleiding) van de padvindsters afstammen, willen zij er ook een houden en wel met de eigen horde. Hiermee is een nieuwe traditie geboren. Op 7 maart 1970 neemt groepsleider en hopman Ab Sanders afscheid van de groep. Voorlopig wordt het verkenners- en groepsleiderschap waargenomen door Oubaas Piet Bruinzeel, geassisteerd door de heer Wim Nolst Trenite, zelf een oud KT-er en lid van de oudercommissie, later voorzitter van de stichting 1970-1972.

De brand uit 1971[bewerken]

Op 9 juni 1971 brandde het Groepshuis "Cappadocië" af en zat de Groep dus zonder onderkomen. De toenmalige groepsleider Bruinzeel, als eerste bij de uitslaande brand aanwezig, wist nog juist op tijd de brandweermannen te vertellen waar ons Oranje Vaandel zich bevond: eerste deur rechts, in het leiderslokaal. Dit vaandel, sindsdien door nijvere handen opnieuw geborduurd, was het enige dat kon worden gered. Het is onbekend hoe de brand is ontstaan, maar uit de belangstelling van de politie lijkt de conclusie gerechtvaardigd, dat men vermoedt, dat zwervers het groepshuis als slaapplaats hebben gebruikt. De opstal en inboedelverzekering keert fl. 32.2490,00 uit. Per september 1971 trekt de KT bij de Wetro in. De Wetrogroep is opgericht in 1930 en een meisjesgroep aan het Onderlangs 4 te Rotterdam-Kralingen. Tussen de besturen worden afspraken gemaakt over de huur van het terrein/gebouw

Externe links[bewerken]

Bronnen en referenties[bewerken]