Leren stoken

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken

Om veilig en goed een kampvuur te leren stoken kan er gebruik gemaakt worden van de volgende artikelen op de scoutpedia:

Met de kennis uit bovenstaande artikelen moet je een heel eind komen. Wanneer je vervolgens met jeugdleden vuur gaat stoken, is het uiteraard het allerbelangrijkst dat de veiligheid van de kinderen volkomen onder controle is. Wanneer je dat zeker weet, zou je het stoken van een vuurtje wellicht al aan kinderen uit de DWEK leeftijd kunnen uitleggen.

Stookcursus[bewerken]

Onderstaande stookcursus (Bron: zie onder) kan tijdens een opkomst van twee uur uitgevoerd worden. Het niveau is geschikt voor DWEKDolfijnen, Welpen, Esta's, Kabouters en de wat jongere scouts. Er wordt eerst een theoriedeel gegeven, daarna volgt een deel waarin de kinderen zelf met het hout mogen experimenteren. Beperk je bij voorkeur alleen tot het maken van vuur, en ga geen eten op het vuur klaar laten maken, omdat je de "slechte stokers" daarmee laat haasten. Dat komt later wel weer een keer, als iedereen het beter kan.

De theorie[bewerken]

Voordat je begint met het fikkie stoken zelf, kun je de kinderen eerst uitleggen hoe zo'n vuurtje precies werkt.

Vuur[bewerken]

De werking van de branddriehoek kun je uitleggen met de volgende twee proefjes:

  • Proef 1: Zet een kaarsje in een schaal met water waar een jampotje overheen geplaatst wordt. Het water in jampotje stijgt, omdat het kaarsje zuurstof gebruikt.
  • Proef 2: Zet een waxinelichtje op tafel, en leg daar wat grote houtblokken overheen, zodat de vlam een houtblok raakt. De branddriehoek is hier toch aanwezig? Waarom brandt het dan niet? Even laten raden, en zeggen dat je hier later op terugkomt.

Soorten brand[bewerken]

Er zijn twee soorten brand:

  1. Een gloeibrand (bbq, sigaret). Kenmerk: geen vlammen, weinig zuurstof, verspreid langzaam, veel hitte
  2. Een gasbrand (alles met vlammen). Kenmerk: veel zuurstof nodig, minder hitte, veel grotere verspreiding.
  • Proef 3: Een velletje A4-papier met een gat in het midden wordt aan één punt opgetild, en de leiding zal straks het papiertje vanuit het gat aansteken. Waar denken de kinderen dat de vlammen heen gaan? Hiermee toon je vervolgens nog een kenmerk van een gasbrand aan: gasbrand wil recht omhoog!

De werking van een gasbrand[bewerken]

Als je vlammen ziet, dan is dat altijd brandend gas. Hoe kun je houtgas maken? Je kunt het toch niet smelten? Alle natuurlijke (dus geen plastic!!) materialen die brandbaar zijn, verliezen bij grote verhitting brandbaar gas. Wat daarna overblijft is kool.

  • Proef 4: Stop een reageerbuisje vol zaagsel, en sluit het af met een stop waar een klein buisje doorheen gaat. Wanneer het buisje verhit wordt, ontstaat een geel-bruine rook in het reageerbuisje. Wanneer dat door het buisje naar buiten stroomt, kun je het aansteken. Dit is dus houtgas! Na afloop, wanneer we het reageerbuisje openen, is de zaagsel zwart. Na aansteken gaat het gloeien, oftewel: zo maak je houtskool. (kinderen evt uitleggen dat houtskool en as twee verschillende dingen zijn, die verwarren ze wel eens)
  • Proef 5: Kaars"gas". Steek het kaarsje uit proef 1 weer aan. Wat brandt er nu eigenlijk? Het lontje wordt namelijk niet korter! Uitleg: het lontje is verzadigd met het vloeibare (warme) kaarsvet. De vlam verdampt het kaarsvet, en het verdampende kaarsvet voedt de vlam. Bewijs: kaarsje uitblazen. Nu gaat de kaars nog even walmen. Hou een lucifer of aansteker zeker een centimeter van het lontje in de walm, en de kaars brandt weer. Oftewel: kaarsvet"gas"!

Uit deze proefjes kun je zien dat brandend hout twee stadia heeft; eerst worden na verhitting vlammen "houtgas" gevormd (je ziet ook wel eens buiten het vuurtje uit het achtereinde van een stok een klein vlammetje komen, terwijl het andere uiteinde in brand staat). Na de gasbrand blijft er houtskool over, en deze gloeit verder.

Wat brandt er langer; een vuurtje met alleen een gasbrand of een vuurtje met alleen een gloeibrand? Ofwel: wat is essentieel voor een goed werkend vuurtje? De centrale gloeibrand midden in het vuur werkt als een centrale verwarming. Zelfs als de gasbrand stopt, kun je makkelijk dingen aankrijgen door ze dicht tegen de centrale verwarming aan te leggen. (Gloeibrand verspreid zich heel langzaam)

Heeft blazen bij een pure gasbrand zin?

  • Proef 6: blaas een lucifer uit.

De kinderen snappen nu als het goed is ook dat je een net aangemaakt vuurtje kunt uitblazen

Water[bewerken]

Water wordt wel eens als de tegenpool van vuur gezien. Waarom brandt nat hout niet? Water kan niet heter worden dan 100 graden, omdat het dan zo snel verdampt, dat het zich gelijk weer afkoelt. Natte dingen, worden (onder normale omstandigheden) dus niet heter dan 100 graden, en koelen snel af als het verwarmen stopt. Brandt hout al bij 100 graden? Nee, en daarom zal eerst het meeste water uit nat hout moeten verdampen, om daarna pas te kunnen branden.

Vraagje: Welk hout verdampt het makkelijkst water? Dik of dun?

  • Proef 7: Inpakken. Pak een dikke balk van 10 cm dik, en maak daarnaast een stapel van dertig stokken van dezelfde lengte . Het gewicht van beide stapels (houtblok versus de stapel stokken) moet ongeveer gelijk zijn. Enkele vrijwilligers krijgen pakpapier om zo veel mogelijk hout in te pakken. Groep 1 pakt de balk in, groep twee de stokjes. Beiden krijgen echter een stuk pakpapier wat net groot genoeg is om de balk in te pakken. Groep twee heeft dus veel te weining om alle stokjes in te pakken. Hoe kan dat? Het was toch evenveel hout?

Uitleg: De dikke balk wordt weer uitgepakt, en de omtrek wordt gemeten. Wat zou er gebeuren als we hem splijten? Dan komt er dus omtrek bij (doe het desnoods echt, en meet na met een touwtje). Oftewel: de vorm van het hout bepaalt hoeveel oppervlakte het hout heeft (in kindertaal: hoeveel houtvezels daglicht kunnen zien). Als de balk en de stokjes kletsnat zijn, welke droogt dan sneller? Degene met de meeste oppervlak!

Gewicht van hout[bewerken]

Neem twee even grote stokken, de een van eiken- of beukenhout en de ander van een lichte houtsoort, zoals berk. Welke is het sterkst? Als het goed is, en je laat de jeugdleden testen, blijken eiken- en beukenhout sterker dan de lichtere houtsoorten. Dat geldt voor vuur ook. Het gas ontsnapt makkelijker, wanneer het hout zacht is. Zwaar, vast hout is misschien lastiger sprokkelen, en het is moeilijker aan te krijgen, maar als het eenmaal brandt, heb je er veel profijt van.

Deze regel kent 1 uitzondering. Dennehout bevat hars, en hars heeft twee leuke eigenschappen: het is een beetje waterafstotend, en hars-gas ontstaat heel snel, bij niet te hoge temperaturen. Hoewel dennehout niet het lichtste hout is, kun je er dus heel goed mee stoken.

Terug naar het stookprobleem[bewerken]

Wat je moet doen bij het aansteken en brandend houden van je vuurtje, hangt dus heel erg af van hoe je vuurtje eruit ziet:

  1. Brandt het goed? Moet er vaak hout bij? Dan wordt het tijd voor dikker hout, of hoef je niet meer zo kieskeurig te zijn om heel droog hout te zoeken. Ook zwaarder hout kan nu gebruikt worden.
  2. Brand je vuurtje slecht of krijg je het niet goed aan? Overstappen op droger of dunner hout of beiden. Je moet nu alleen wel vaker hout gaan halen. Of lichter hout gebruiken.

Dus nu komen we terug op proef twee. De balk brandt niet, en is ter plekke roetig. Neem met de kinderen de te nemen maatregelen door. Dunner hout? Lichter hout? Droger hout?

De praktijk[bewerken]

Wanneer de kinderen de theorie hebben aangehoord, kun je ze allemaal naar buiten sturen. Laat de kinderen in één- of tweetallen (dan zijn het niet steeds dezelfde kinderen die het vuur aansteken of die hout moeten halen) kleine vuurtjes proberen te maken in de hoeken van de kampvuurkuil. Bespreek regelmatig met de kinderen de status van hun vuurtje. Vinden ze dat het goed brand? Wijs de centrale verwarming eens aan? Moeten er maatregelen genomen worden om het vuurtje beter te laten branden? En welke zijn dat?

Het eind is natuurlijk het blussen. Het bewijs dat water veel warme onttrekt aan je vuurtje. Dit zou je als wedstrijdje kunnen doen, door de kinderen met bekertjes water te laten blussen. Wie krijgt zijn vuurtje uit met zo min mogelijk water? (Dan hebben degene met de slechtst brandende vuurtjes meteen ook nog even een ereplek op het podium)

Waterkookwedstrijd[bewerken]

In het geval van scouts en explorers kun je de stookvaardigheden van je leden beproeven middels een waterkookwedstrijd aanpakken. Geef een houthakkersbijl en een mes, 1 lucifer, een 2 liter pan 18 cm of zo in diameter, één liter water en een blok zacht lang hout van ongeveer 60 bij 15 cm.

Spelregels

Het water moet helemaal over de oppervlakte springen en borrelen, of het kookt niet. Als de eerste lucifer uitgaat, wordt een tweede uitgereikt, maar er wordt een straftijd van 2 minuten aan de tijd toegevoegd. En er mag niets anders gebruikt worden. (eventueel kun je de deelnemer nog twee bakstenen of vier stalen tentharingen geven om het ze iets gemakkelijk of veiliger te maken.)

Aanpak voor het beste resultaat

Hak eerst een grote hoop hout. Gebruik daar 3 minuten voor. Steun je pan op 4 spaanders die in de grond worden gedreven. Handig is om de spaanders alvorens te plaatsen onder water te dompelen. Deelnemer doet alles zelf.

Bronnen en referenties[bewerken]

Tips omtrent kampvuur stoken met jeugdleden op het scoutingforum (auteur: Paddo)