Tommy en Betty

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken

Tommy en Betty en de wijze bruine uil, geschreven door Julia Horatia Ewing was het themaverhaal van onder andere de kabouters van het Nederlands Padvindstersgilde

Orginele versie[bewerken]

Tommy en Betty waren kinderen die liever lui dan moe waren en nooit hun ouders hielpen.

Op een dag zuchtte moeder en zei: “Ik wou dat ik leefde in de tijd dat er nog kabouters waren.” Tommy en Betty wilden weten wat kabouters waren. “Het waren heel kleine mensjes,” zei moeder, “niet groter dan een vinger. Die deden heel stilletjes allerlei werkjes voor de mensen, meestal ‘s nachts. Want ze wilden nooit bedankt worden en kwamen daarom alleen als niemand hen kon zien”. De kinderen wilden ook graag een kabouter en wilden weten waar ze er een konden kopen. “Kabouters zijn niet te koop. Ik weet niet eens, of ze nog wel bestaan. Maar misschien weet de wijze Bruine Uil het. Zij woont in de eik boven op de heuvel en is bij volle maan te spreken” voegde ze er peinzend aan toe.

Toen vader en moeder sliepen, gingen Tommy en Betty naar de uil en vroegen haar om een kabouter, dan hoefden ze helemaal niets meer te doen. De Wijze Uil zei, dat ze naar de plas aan het rand van het bos moesten gaan en zich dan driemaal omdraaien en dit rijmpje opzeggen: ‘Ik draai me en keer me, Ik zoek de elf, Ik kijk in het water, en ‘k zie er ......’ Als ze daarna in het water zouden kijken zouden ze een kabouter zien. Bij de plas draaiden zich driemaal rond en zeiden het rijmpje. Toen keken ze in het water. Ze keken en ze keken weer en toch..... zagen ze alleen zichzelf. Boos gingen ze terug naar de Wijze Uil, omdat ze geen kabouter zagen. “Zag je helemaal geen kabouter? Vroeg de Wijze Uil, “Maar wat zag je dan wel?” “De maan en de bomen en de bloemen en het gras en ons zelf,” zei Betty. “Zo,” peinsde mevrouw Uil, “de maan, de bomen en de bloemen en het gras en jezelf? Ik draai me en keer me, ik zoek een elf. Ik kijk in het water en ik zie er......” “Mezelf,” riep Betty, “dat rijmt op elf. Maar... ik ben toch geen kabouter?” “Nee,” zei de Wijze Bruine Uil, “je bent geen kabouter, maar je zou er misschien wel een kunnen worden.” “Hoe dan, ik ben toch veel te groot?”

“Ja, groot ben je wel. Je zou een mensenkabouter moeten worden. Daarvoor moet je net zo doen als dat kleine volkje van vroeger, dus allerlei verrassingen en werkjes doen voor de grote mensen. Maar denk erom, de echte kabouters deden het ongemerkt, zodat zij er niet eens voor bedankt konden worden. Lijkt je dat niet leuk? Je zou het misschien kunnen proberen.”

“Ja, misschien wel,” zei Betty. “Doe je mee Tommy? Proberen kan geen kwaad.”

De kinderen gingen weer naar huis en kropen zachtjes in bed en zetten de wekker op zes uur. Stilletjes deden ze allemaal werkjes. Het ging nog wat onhandig, maar ze hadden er plezier in om alles zo stil mogelijk te doen en alles kwam klaar. Om 5 minuten voor zeven kropen ze gauw weer onder de dekens. Toen vader en moeder opstonden waren ze heel verbaasd en verrast. Ze riepen de kinderen die heel verbaasd deden . Tommy en Betty waren blij, omdat vader en moeder zo vrolijk keken. Ze deden het nog vaak en ze leerden ook om overdag al zulke verrassingswerkjes te doen, zodat ze niet meer slaap tekort kwamen. Ze vertelden er op school van aan hun vriendjes en vriendinnetjes die ook voor kabouter gingen spelen. En toen het weer volle maan was, liepen er wel twintig jongens en meisjes door het bos om de uil te vertellen, hoe fijn het was om een kabouter te zijn. Toen zei uil dat de jongens maar naar akela moesten gaan en welp worden en dan maakte zij met de meisjes een kabouterkring. Daar zou ze hen allerlei kabouterwerkjes en kunstjes leren, zodat ze de mensen nog beter kunnen helpen.

Latere versie[bewerken]

In een latere versie van dit verhaal, stuurt de Bruine Uil de kinderen niet meer naar het meer, maar zegt ze toe zelf op zoek te gaan naar een kabouter. Maar dan moeten de kinderen in ruil daarvoor wel iets voor haar doen. Ze moeten kleine werkjes voor hun ouders doen, schoenen poetsen of boodschappen doen of zo. En ze moeten het met een vrolijk gezicht doen en er geen bedankje voor vragen. De kinderen beloven dit en ze beloven het ook geheim te houden voor hun ouders. Ze spreken af elkaar een maand later weer te zien. In eerste instantie kost het de kinderen moeite om allerlei klusjes met een glimlach te doen, maar het gaat ze steeds beter af en het wordt steeds gezelliger thuis. Vriendjes en vriendinnetjes merken dat de kinderen veranderd zijn en vragen hoe dat komt. Het is een geheimpje voor papa en mama, zegt Betty, maar vertelt dan toch over Oehoe en de kabouters en steeds meer kinderen vinden dat een leuk spel en willen ook een kabouter in huis zijn. Na de afgesproken maand gaan niet alleen Tommy en Betty naar de uil, maar nog een heleboel andere kinderen. Allemaal hebben ze klusjes gedaan en vonden het leuk om een kabouter te zijn. Een echte kabouter was niet meer nodig.

Bron[bewerken]