Wilhelmus

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken
Category song nl.svg
Wilhelmus

is de titel van een lied dat bij sommige scoutinggroepen in de eigen liedjesbundel te vinden is.

Meer liedjes zijn te vinden in de lijst van liedjes en de lijst van scoutingliedjes.


Het Wilhelmus is het volkslied van Nederland. Het is inhoudelijk geschreven als een lied dat Willem van Oranje gezongen zou kunnen hebben, alhoewel er geen enkel bewijs is dat hij het daadwerkelijk gezongen heeft. Het Wilhelmus weerspiegelt Willem van Oranjes tweestrijd inzake de opstand in de Nederlanden. Enerzijds probeert hij trouw te zijn aan de Spaanse koning, anderzijds is hij boven alles trouw aan zijn geweten, dat hem voorschrijft God en het Nederlandse volk te dienen.

Opbouw[bewerken]

Het lied bestaat uit vijftien coupletten die een acrostichon vormen: de eerste letters van de vijftien coupletten vormen de naam Willem van Nassov. De v is hierin als Romeinse letter een u, en de coupletten die destijds met een s aanvingen, zou men in modern Standaardnederlands met een z beginnen.

Opvallende zaken[bewerken]

  • 'Van Duytsen bloed': dit heeft niets te maken met de Duitse afkomst (Duitsland bestaat is zijn eerste vorm pas vanaf 1857). In de tijd dat het lied geschreven werd had Duyts verschillende betekenissen. De betekenis van Duits is echter veranderd in de jaren. Het woord Diets zou meer recht doen aan de oorspronkelijke betekenis van het lied.
    • 'van Germaanse afkomst', waarbij hiermee het hele West-Europese vasteland wordt bedoeld,
    • 'Nederlandse of Duits (taal)', dus de taal die gesproken werd in die tijd
    • 'Afgeleide van diets (vergelijk Dutch), een Middelnederlands woord dat verwijst naar 'volk'
  • 'den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd', hiermee kwam men de Spaanse bezetter enigszins tegemoet

Relatie met scouting[bewerken]

In de jaren '80 was het uit het hoofd kennen van de eerste twee coupletten van het Wilhelmus een eis voor de petster.

Volledige tekst van het Wilhelmus[bewerken]

Hieronder staat de volledige tekst. De enige coupletten die met regelmaat worden gezongen, zijn het eerste en het zesde.

Tegenwoordige tekst: Originele tekst:
Eerste couplet
Wilhelmus van Nassouwe

ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik, vrij, onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.

Wilhelmus van Nassouwe

Ben ick van Duytschen Bloedt,
Den Vaderland ghetrouwe
Blijf ick tot inden doet;
Een Prince van Orangien
Ben ick vry onverveert.
Den Coninck van Hispangien
Heb ick altijt gheeert.

Tweede couplet
In Godes vrees te leven

heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.

In Godes vrees te leven

Heb ick altijt betracht,
Daerom ben ick verdreven
Om Land, om Luyd ghebracht:
Maer Godt sal my regeren
Als een goet Instrument,
Dat ick sal wederkeeren
In mijnen Regiment.

Derde couplet
Lijdt u, mijn onderzaten

die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.

Lijdt U, mijn Ondersaten,

Die oprecht zijn van aert,
Godt sal u niet verlaten
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begheert te leven,
Bidt Godt nacht ende dach.
Dat Hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.

Vierde couplet
Lijf en goed al te samen

heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben 't u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in 't eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.

Lijf ende goed al te samen

Heb ick u niet verschoont,
Mijn Broeders, hooch van Namen,
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven,
In Vrieslandt in den Slach,
Sijn siel int eewich leven
Verwacht den jonghsten dach.

Vijfde couplet
Edel en hooggeboren,

van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vrezen
mijn edel bloed gewaagd.

Edel en Hooch gheboren

Van Keyserlicken stam:
Een Vorst des Rijcks vercoren,
Als een vroom Christen-man,
Voor Godes Woort ghepreesen,
Heb ick vrij onversaecht,
Als een helt zonder vreesen
Mijn edel bloet gewaecht.

Zesde couplet
Mijn schild ende betrouwen

zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar t'aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.

Mijn schilt ende betrouwen

Zijt ghy, O Godt, mijn Heer.
Op U soo wil ick bouwen,
Verlaet my nimmermeer;
Dat ick doch vroom mag blijven
U dienaer t'aller stond
Die tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.

Zevende couplet
Van al die mij bezwaren

en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verrassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.

Val al die my beswaren,

End mijn vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verasschen
In haeren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.

Achtste couplet
Als David moeste vluchten

voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.

Als David moeste vluchten

Voor Saul den tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich edelman:
Maer Godt heeft hem verheven,
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijck ghegheven
In Israël, seer groot.

Negende couplet
Na 't zuur zal ik ontvangen

van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.

Na tsuer sal ick ontfanghen

Van Godt, mijn Heer, dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Mijn vorstelick ghemoet,
Dat is, dat ick mag sterven
Met eeren, in dat velt,
Een eeuwich rijk verwerven
Als een ghetrouwe helt.

Tiende couplet
Niet doet mij meer erbarmen

in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.

Niets doet my meer erbarmen

In mijnen wederspoet,
Dan dat men siet verarmen
Des Conincks landen goet,
Dat ud de Spaengiaerts crencken,
O edel Neerlandt soet,
Als ick daeraen ghedencke,
Mijn edel hert dat bloet.

Elfde couplet
Als een prins opgezeten

met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.

Als een Prins opgheseten

Met mijnes heyres cracht,
Van den tyran vermeten
Heb ick den slach verwacht,
Die, by Maestricht begraven,
Bevreesde mijn ghewelt;
Mijn ruyters sach men draven
Seer moedich door dat velt.

Twaalfde couplet
Zo het den wil des Heren

op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.

Soo het den wil des Heeren

Op die tijt had gheweest,
Had ick geern willen keeren
Van u dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert,
Die men altijt moet loven,
En heeftet niet begeert.

Dertiende couplet
Zeer christlijk was gedreven

mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.

Seer christlick was ghedreven

Mijn princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront,
Dat Hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen oircont.

Veertiende couplet
Oorlof, mijn arme schapen

die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,-
't zal hier haast zijn gedaan.

Oorlof mijn arme schapen,

Die zijt in grooten noot.
U Herder sal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroit:
Tot Godt wilt u begheven,
Sijn heylsaem woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.

Vijftiende couplet
Voor God wil ik belijden

en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.

Voor Godt wil ick belijden

End sijner grooter macht,
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere,
Der hoochster Majesteyt,
Heb moeten obedieren,
In der gherechticheyt.