Alexander Slingervoet Ramondt

Scoutpedia.nl, dé Scouting wiki
Ga naar:navigatie, zoeken


ir. Alexander Slingervoet Ramondt
Alexander Slingervoet Ramondt.png
Icon boy scout.svg
Nederlandsche Padvindersorganisatie.png
Geboorteplaats
Amsterdam ­Noord-Holland ­Nederland
Geboortedatum
9 augustus 1883
Overlijdensplaats
Haarlem ­Noord-Holland ­Nederland
Overlijdensdatum
16 februari 1945
Bezig met het laden van de kaart...

Alexander Slingervoet Ramondt was chemicus, docent, fotograaf, schrijver, vertaler, een van de eerste Nederlandse scoutingleiders en deelnemer aan de eerste Gilwelltraining.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Alexander Slingervoet Ramondt medewerker tijdschrift De Padvinder 1917

Alexander Ramondt werd geboren op 9 augustus 1883 in Amsterdam. Na het overlijden van zijn vader in 1884, verhuisde zijn moeder naar Rotterdam, haar geboorteplaats. Daar volgde hij zowel de lagere als de Hoogere Burger School (HBS) en behaalde zijn eindexamen in augustus 1899. Zijn studie aan de Polytechnische School in Delft verliep snel; al op 24 juni 1903, op 20-jarige leeftijd, behaalde hij zijn ingenieursdiploma. Na een tijd verbonden te zijn geweest aan de New York-Hamburger Gummiwaaren-Compagnie in Hamburg van 1 november 1903 tot 1 juli 1904, was hij chemicus bij de Gemeentelijke Keuringsdienst in Rotterdam van 1 augustus 1904 tot 1 oktober 1906. Hij werd daarna assistent van professor Ter Meulen in Delft, maar ging op 1 januari 1908 weer aan de slag in de praktijk door de aanvaarding van de functie van scheikundig ingenieur en bedrijfsleider van de N.V. Drukkerij Senefelder in Amsterdam. Deze firma stuurde hem voor enige tijd naar Londen, Berlijn en Wenen om de nieuwste methoden te bestuderen op het gebied van kleurendruk. Hij bleef bij deze firma werken tot 31 december 1912. Gedurende de laatste 15 maanden van deze functie was hij ook tijdelijk leerkracht, voor enkele uren per week, aan de Hoogere Burger School met 5-jarige cursus in Amsterdam. Hoewel hij vermoedelijk alleen les gaf in het practicum, heeft het onderwijs hem toch zo aangesproken, dat hij solliciteerde naar de juist opgekomen functie van leerkracht scheikunde aan het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Willemsoord (gemeente Den Helder). Hij aanvaardde deze functie op 1 januari 1913, eerst als tijdelijke leerkracht, maar een jaar later volgde zijn vaste benoeming.

Hij was de opvolger van dr. H.W. Woudstra die, na van september 1908 verbonden te zijn geweest aan het KIM, een benoeming tot leraar in Nederlands-Indië had aanvaard. Het ligt voor de hand dat Slingervoet Ramondt het onderwijs van zijn voorganger, waarbij onder andere "Leerboek van eenige toepassingen der chemie" van dr. W.P. Jorissen als leidraad diende, naar zijn eigen inzichten zou hebben aangepast. Maar zijn talent voor organiseren kon hij vooral tot ontplooiing brengen bij de hem tevens opgedragen lessen aan de aanstaande officieren der administratie bij de Marine, wiens opleiding juist vanuit Amsterdam naar Den Helder was verplaatst. Enkele jaren later werd ook de opleiding voor de Marinestoomvaartdienst vanuit Dordrecht naar Den Helder verplaatst.

Vanwege de stijging in het aantal studenten, was een uitbreiding van het KIM noodzakelijk. Dit werd gerealiseerd door de vergroting van een bijgebouw dat in 1906 in gebruik werd genomen voor natuurkunde, elektrotechniek en tekenen. De chemische afdeling (leskamer, laboratorium en practicum) kreeg hier een plaats in 1923. Tot de hulpmiddelen voor het onderwijs behoorde ook een grote verzameling lantaarnplaatjes (glasdia's), waarvan Slingervoet Ramondt er vele zelf maakte. Hij was een ervaren fotograaf[1]. Ten slotte was hij niet tevreden voordat hij een bioscoop met cabine had aangeschaft. Hij was een goede leraar en experimenteerde vaak tijdens de lessen. Hij beschreef de instructieve en fraaie proeven in een experimenteerboek, maar helaas verdween dit boek tijdens de bezetting van het gebouw door de Duitsers. Hij schreef ook een "Leerboek van eenige toepassingen der chemie" dat na 20 jaren lesgeven het licht zag. Hij was lid van de vrijmetselaarsloge Willem Frederik Karel in Den Helder[2]. In september 1938 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor zijn onderwijs gedurende 25 jaren.

In 1907, tijdens zijn assistentschap in Delft, werd hij lid van de Nederlandse Chemische Vereniging. In 1915 werd hij benoemd in de bibliotheekcommissie en trad hij al snel op als hun secretaris. Later werd hij lid van de redactiecommissie van het Chemisch Jaarboekje en nam hij, als secretaris, de nieuwe bewerking van de tijdschriftenlijst en de boekenlijst op zich, een zeer tijdrovend werk. De officiële waardering voor het werk dat aan deze drukken werd besteed, bleef niet uit. De Nederlandse Chemische Vereniging benoemde hem in haar vergadering van 21 april 1938 tot erelid.

Zijn kennis van rubber, die hij verkreeg bij de eerder genoemde Hamburger firma, was waarschijnlijk de aanleiding voor de bijdrage over "The Rubber Industry in the Netherlands" die hij samen met professor Hoogewerff schreef voor de beschrijvende catalogus van de Sectie Nederland van de "International Rubber and Allied Trades Exhibition" die in 1911 in Londen werd gehouden. In deze bijdrage wijzen de auteurs ook op de "geoctrooieerde fabriek voor veerkrachtige gom" van Jan van Geuns in Haarlem.

Hij trouwde op 22 juli 1926 in Assendelft met Nelly Gertruda Henriëtte Bierman[3]. Zij vertrok in 1934 naar haar familie in Aerdenhout en overleed nog hetzelfde jaar. Het huwelijk bleef kinderloos.

Op 17 mei 1930 werd een Vereniging van leraren in natuur- en scheikunde "Velines" opgericht. Van haar tweemaandelijks orgaan "Faraday" werd de hij redacteur voor de scheikunde en in dat tijdschrift heeft hij uitvoerig beschreven "de geboorte en eerste levensjaren van Velines". Het was de feestrede die hij hield bij de herdenking van het vijfjarig bestaan van de vereniging. De Duitse inval van mei 1940 dwong hem, net als vele anderen, om te stoppen met het werk waar hij zo enthousiast mee bezig was. Hij vertrok naar Heemstede en vervolgens naar Haarlem. Kort daarna, in 1941, kwam er een organisatie tot stand die onmiddellijk zijn volle aandacht trok: de Centrale Taalcommissie voor de Techniek (C.T.T.).

Slingervoet Ramondt werd uitgenodigd om deel te nemen aan de groepscommissie voor chemie en werd een van de meest ijverige medewerkers. Toen de secretaris dr. ir. A.W.J. Mayer in februari 1943 ziek werd, nam Slingervoet Ramondt een deel van diens werkzaamheden op zich. Hij verving Mayer zes maanden op tal van vergaderingen en nam hij het notuleren van de behandelde onderwerpen op zich. Behalve de vergaderingen van de commissie voor chemie en de subcommissie voor chemische technologie, woonde hij ook bijeenkomsten bij van enkele andere commissies die hij gemakkelijk vanuit Haarlem kon bereiken. Hoeveel werk hij verzette, blijkt uit zijn omvangrijke dossiers die betrekking hebben op zijn werk. Deze dossiers waren in bewaring bij dr. W.P. Jorissen, die met groot respect herinnert aan de heer Slingervoet Ramondt's bijdragen bij de samenstelling van lijsten voor chemie en chemische technologie. Helaas heeft Slingervoet Ramondt het uitgeven van deze lijsten niet meer meegemaakt.

Voor de jonge Harry Mulisch (schrijver) was de inmiddels gepensioneerde Slingervoet Ramondt de scheikundige autoriteit tegen wie hij opkeek, totdat de jonge chemiefanaat de wetenschapper tijdens de hongerwinter in erbarmelijke toestand aantrof: ‘Ja, ik had het gezien, en misschien was dat de genadeslag voor mijn chemie. Ook hij moest eten, zelfs ir. Slingervoet Ramondt had niet genoeg aan de wetenschap alleen[4].

"De drukte in onze provincie - schreef de heer Slingervoet Ramondt op 25 januari 1945 aan dr. W.P. Jorissen - is zeer groot. Is de redding nu nabij? Ik ben zeer pessimistisch." Hij klaagde over honger en koude: "Ik heb zo weinig brandstof dat ik hooguit om de andere dag, met deze vorst, een paar uur de verwarming aan kan hebben". Dit vond hij, begrijpelijk genoeg, ongezond, vooral omdat hij onlangs een ernstige operatie had ondergaan. Bovendien gaven winterhanden en -voeten hem veel problemen; hij kreeg nog steeds injecties met mierenzuur. "Mijn concentratie- en studiecapaciteiten - laat hij weten - zijn door alles sterk verminderd". Toch gaf hij nog enkele lessen, maar - zo schreef hij - "alle werk voor de C.T.T, voor de redactie van het Experimenteerboek van Velines, voor de bibliotheekcommissie, enz. ligt stil; ook de analystencursus is al lang gestopt". En hij slaakte de kreet: "Ik verlang zo naar het moment dat ik weer aan het werk kan gaan." Helaas, deze wens werd niet vervuld; hij overleed drie weken later op 16 februari 1945.

"De veertig jaar, die de heer Slingervoet Ramondt kreeg na het afronden van zijn studie in Delft, hebben hem de gelegenheid gegeven om zijn talenten als organisator, docent, spreker en schrijver te tonen. Hij heeft ruim gebruik gemaakt van deze kans en ontwikkelde daarmee een werkkracht die bewondering afdwingt. Volgens menselijke berekening had men nog veel van hem kunnen verwachten, als de beruchte winter van 1944-1945 zijn krachten niet had ondermijnd en ten slotte gesloopt[5].

Scouting[bewerken | brontekst bewerken]

Groepsfoto eerste Gilwellcursus in Nederland

Gedurende zijn verblijf in Engeland in 1908/9 maakte hij kennis met enkele personen, die werkzaam waren bij de Boys' Brigade, waarvan hij verschillende bijeenkomsten bijwoonde die hem zeer interesseerden. Met een die aanwezigen bleef hij nog lang in correspondentie, ook toen die Engelsman planter in Australië werd, tot de oorlog (Eerste Wereldoorlog) kwam. Van de scouts zag hij in die tijd niet veel. Er was toen nog weinig van bekend, doch het brigadewerk legde de kiem tot zijn belangstelling voor jeugdwerk. Begin 1911 hoorde hij in Amsterdam van de NPO, naar aanleiding waarvan hij in kennis kwam met de heer Gos de Voogt, die hem op allerlei wijze behulpzaam was en hem in kennis stelde met verschillende troepen waar hij veel fotografeerde en kennismakingen aanknoopte. In ’t bijzonder was hij in contact met de Amsterdamse troepen II en III, respectievelijk onder de respectievelijke leiding van de hoplieden Quené en Konijnenburg. Al was hij toen officieus reeds ijverig in de beweging werkzaam, officieel was hij nog niet aan de padvinderij verbonden.

In die tijd schreef hij als „De Professor” populair wetenschappelijke artikelen voor het blad De Padvinder[6]. Toen hij in 1913 in Den Helder ging wonen, werd hij gevraagd secretaris van de afdeling Den Helder te worden. Leiding gaf hij slechts achter de schermen, daar de onmiddellijke troepleiding in handen was van anderen, op ’t laatst in die van hopman Ranneft. Na diens vertrek nam hij het leiderschap over. Hopman Slingervoet Ramondt was een van de leiders, die de geest van de beweging zuiver aanvoelde. Niet alleen bewees hij dat in zijn leiderslezingen: „Wat ons aantrekt in de padvinderij" en „Zijn we geschikt voor onze taak?" of in zijn uitstekende propagandarede, waarmee hij de Groninger fancy fair opende, maar ook zijn werk onder de jongens in zijn zo moeilijke afdeling was daarvan een sprekende getuige. Hij hechtte zeer veel waarde aan „persoonlijk werk", aan gesprekken onder vier ogen en persoonlijk contact en aan het geven van grote verantwoordelijkheid aan de troepraad. Hij was deelnemer aan de eerste Gilwelltraining.

Onderscheidingen en eretitels[bewerken | brontekst bewerken]

  • Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (Nederland)[7]
  • In 1946 werd Groep 5 in Den Helder naar hem vernoemd[8].

Publicaties[bewerken | brontekst bewerken]

De volgende werken over Scouting van Alexander Slingervoet Ramondt zijn aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek:

Category stub nl.svg Dit artikel is een beginnetje. U wordt uitgenodigd op Bewerk te klikken om uw kennis aan dit artikel toe te voegen.
Cookies helpen ons onze services aan te bieden. Door onze services te gebruiken stemt u in met het gebruik van onze cookies.